In dit nummer
Collegiaal leiderschap bij Hoera kindercentra is een weloverwogen keuze. Twee professionals – één vanuit onderwijs en één vanuit kinderopvang – die samen de richting van een kindcentrum bepalen, elkaar versterken en zo een omgeving creëren waarin kinderen, teams en partners duurzaam kunnen groeien.
In Nederland werken onderwijs en kinderopvang nog altijd vanuit twee formeel gescheiden werelden. Zolang er nog geen volledig en gelijkwaardig curriculum bestaat voor kinderen van 0 tot 13 jaar, blijven we zoeken naar manieren om de samenwerking zo goed mogelijk vorm te geven.
Eén ding delen we allemaal: de overtuiging dat die samenwerking voor kinderen echt het verschil kan maken. Hoe we daar precies invulling aan geven, daar lopen de meningen soms over uiteen. Zelf ben ik bestuurder van Unitus, de overkoepelende stichting in Limburg waarin kinderopvang en welzijnswerk zijn verenigd. Ook hier wordt bewust vanuit collegiaal bestuur gewerkt. De topstructuur van Unitus kent daarom twee bestuurders: iemand die geworteld is in het welzijnswerk en ik, Rudie Peeters, al jaren in de kinderopvang opererend als bestuurder.
Verder kennen mensen me als trainer, adviseur en toezichthouder in het maatschappelijke speelveld en ben ik al jaren politiek actief. Ook ben ik betrokken geweest bij de (door)ontwikkeling van Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang, BMK. Maar veel mensen kennen me vooral als ‘praktijkprofessor’, als iemand die pas enthousiast wordt als visie en beleid ook echt werken in de dagelijkse realiteit. Een tikkeltje dwars, behoorlijk eigenwijs, maar altijd met energie en een helder doel voor ogen.
Voor Hoera kindercentra zit de kracht van een kindcentrum in het benutten van ieders expertise, die van kinderopvang en van onderwijs. Beide sectoren hebben door de jaren heen een schat aan kennis opgebouwd over opvoeden, opgroeien en de ontwikkeling van kinderen. Elk vanuit een eigen invalshoek, met eigen doelen en verantwoordelijkheden. Maar beide met de wil om bij te dragen aan hetzelfde grotere geheel: het leven en de ontwikkeling van het kind. Júíst daarom geloven wij in intensieve, gelijkwaardige samenwerking. Wanneer twee sterke partners binnen een kindcentrum écht intensief samenwerken, ontstaat een ontwikkelomgeving voor kinderen die meer is dan de som der delen. Een duaal bestuur, een duale leiding helpt daarbij. Kennis en ervaring vanuit beide sectoren liggen dan zichtbaar en gelijkwaardig op tafel.
Wanneer een van de twee partners minder sterk vertegenwoordigd is, neemt de kwaliteit van de input af en daarmee ook het vermogen om te vernieuwen of in te spelen op actuele inzichten.
Voor de kinderopvang geldt dat daar ook ondernemerschap bij hoort, daar is de sector sterk in. Om als gelijkwaardige partner aan tafel te blijven zitten, móét je investeren in je eigen vakgebied en in directe lijnen met de wereld om je heen. Wij geloven oprecht dat hoe sterker je staat in je eigen professie, hoe waardevoller je wordt voor je partners.
Er is een beeld dat mij de afgelopen jaren steeds vaker helpt om mijn eigen leren te duiden: de leerkuil. Dat moment waarop je voelt dat je iets (nog) niet weet. Dat je vastloopt. En toch weet ik inmiddels: precies dáár begint leren.
In opvang en onderwijs werken we elke dag aan de ontwikkeling van kinderen. We stimuleren hun nieuwsgierigheid, dagen hen uit en creëren een omgeving waarin fouten maken mag. We zeggen tegen hen: proberen hoort erbij, leren mag schuren.
Maar hoe geloofwaardig zijn we als we zelf die leerkuil liever vermijden? Vastlopen levert het ongemakkelijke, soms knagende gevoel van onzekerheid – of zelfs frustratie – op. Het zijn geen prettige momenten. Maar ik weet dat leren kan beginnen als je handelingsverlegen bent.
Voor mij is een onderzoekende houding daarom geen luxe, maar een absolute voorwaarde voor goed vakmanschap. Voor leerkrachten. Voor pedagogisch professionals. Voor leidinggevenden. En ja, zeker ook voor bestuurders. Onze hele sector draait om ontwikkeling. Dan vraagt dat om professionals die zelf ook zichtbaar blijven leren. Die het niet-weten niet zien als falen, maar als een startpunt. Die durven toegeven dat ze het even niet scherp hebben – en daar nieuwsgierig naar worden.
Vakmanschap als werkwoord
Binnen onze organisatie spreken we over de contextbewuste, reflectieve en onderzoekende professional als beroepsbeeld. Voor mij is dat geen functietitel of eindstation, maar een werkwoord. Vakmanschap is niet iets wat je bereikt en vervolgens bezit. Het is iets wat je elke dag opnieuw beoefent.
Contextbewust werken betekent dat je begrijpt waar je werkt: de geschiedenis, de dynamiek, de mensen en de maatschappelijke context. Reflectief werken betekent dat je jezelf vragen blijft stellen: wat deed ik, waarom deed ik dat, en wat was het effect? En onderzoekend werken betekent dat je bij twijfel niet dichtklapt, maar juist opengaat. Dat je een vraag formuleert in plaats van een oordeel.
Werken aan vakmanschap houdt nooit op. Sterker nog, ik vind dat we dat als professionele verantwoordelijkheid moeten zien. Niet als iets wat ‘ernaast’ komt, maar als een wezenlijk onderdeel van ons dagelijks werk. Dat vraagt tijd en ruimte voor reflectie. Het vraagt dat we collega’s bevragen, casuïstiek bespreken in expertteams en onze vragen verbinden aan bestaande kennis. Bijvoorbeeld via de Kennisrotonde, waar wetenschappelijke inzichten gekoppeld worden aan concrete praktijkvragen.
Peuters kunnen ons veel leren over buitenruimte, aandacht en duurzame kinderopvang. Wat volwassenen zien als veilig, overzichtelijk en efficiënt sluit niet vanzelf aan bij wat kinderen lichamelijk, zintuiglijk en cognitief nodig hebben. Kinderen willen wroeten, zelf ontdekken.
De buitenruimte rond kinderopvang en scholen is de afgelopen decennia ingrijpend veranderd. Waar buitenspelen ooit vanzelf verweven was met het dagelijks leven, is het nu vaak gereduceerd tot een functionele onderbreking van het binnenprogramma. Deze ontwikkeling weerspiegelt een cultuur waarin controle, veiligheid en efficiëntie leidend zijn. Tegelijk groeit het besef dat een dergelijke inrichting niet vanzelf bijdraagt aan gezonde ontwikkeling en diepe leerervaringen.
Dit spanningsveld vraagt om een herwaardering van de buitenruimte, niet als decor of pauzeplek, maar als pedagogische ruimte. Een groene, natuurrijke buitenomgeving biedt kinderen de mogelijkheid om met hun zintuigen te onderzoeken, hun lichaam te ervaren en verwondering te ontwikkelen. Hier ontstaat aandacht en groeit de relatie tussen kind en wereld. De groene buitenruimte is daarmee een pedagogische basis.
We zijn niet simpelweg natuur kwijtgeraakt, we zijn een relatie kwijtgeraakt. Ooit was natuur verweven met het dagelijks leven: op het erf, in de straat, in de moestuin en aan de bosrand. Spel, dagelijks leven en werk liepen in elkaar over.
Kinderen deden mee en ontdekten al doende hoe de wereld functioneert. De pedagogische opgave van vandaag is niet nostalgisch terugkeren, maar gaat om het herstellen van de relatie tussen kinderen en hun leefomgeving. Natuur is geen achtergrond voor onze activiteiten, het is een levende context waarin ontwikkeling plaatsvindt.
Rijke leeromgevingen
Al in de negentiende eeuw zag Friedrich Fröbel de tuin als een plek van ordening, zorg en groei. Wie met kinderen tuiniert merkt hoe de tijd vertraagt. Groei laat zich namelijk niet versnellen. Zaden ontkiemen, of niet, en slakken eten wat net > geplant is. Seizoenen leggen ons een ritme op.
In deze ervaringen ligt pedagogiek besloten. Kinderen ontdekken afhankelijkheid, leren wachten en omgaan met teleurstelling en leren zorgdragen voor wat kwetsbaar is. Groei en verval maken wederkerigheid zichtbaar: leven vraagt aandacht van ons. Onderzoek naar schooltuinen laat zien dat dit rijke leeromgevingen zijn waarin taal, rekenen en denken vanzelf ontstaan. Leren wordt betekenisvol omdat het ergens over gaat.
Juist in deze pedagogische betekenis ligt een sleutel voor de duurzaamheidsopgave. Duurzaamheid gaat niet alleen over CO2-reductie, maar bijvoorbeeld ook over een goed binnenklimaat en hoe mensen zich verhouden tot hun leefomgeving.
Verduurzaming
In 2025 is de sectorale routekaart verduurzaming kinderopvang gepubliceerd, die inzicht geeft in de huidige situatie in de sector én fungeert als kompas om met gerichte ondersteuning stappen te zetten in de verduurzamingsopgave. Vanuit de maatschappelijke betrokkenheid van de kinderopvang zijn er in de sectorale routekaart meerdere duurzaamheidsthema’s beschreven. Om echt voor vandaag én morgen impact te maken, is een brede aanpak van de opgave nodig. De sectorale routekaart benadrukt naast energiebesparing en gezonde gebouwen ook vergroening van buitenruimtes, gedrag en bewustwording. De ambitie van de routekaart is dat in de sector in 2040 minimaal 75 procent van de buitenruimte uit natuurlijke elementen bestaat. Dat is een erkenning dat vergroening geen esthetische keuze is, maar een pedagogische en maatschappelijke verantwoordelijkheid.
In de Nederlandse kinderopvang is meertaligheid geen uitzondering, maar dagelijkse realiteit. Ongeveer een kwart van de kinderen groeit thuis op met een andere taal dan het Nederlands. Zeker bij vve-locaties is het aandeel kinderen met een of meer andere thuistalen dan het Nederlands fors hoger. Dit brengt uitdagingen met zich mee, waar het Kompas Meertaligheid je bij kan helpen. In februari 2026 werd het Kompas Meertaligheid door taalplatform Drongo gepresenteerd, op de conferentie Talige diversiteit in de kinderopvang.
Natuurlijk en krachtig
Taalverwerving bij jonge kinderen is een natuurlijk en krachtig proces. Kinderen leren taal door interactie: door te luisteren, te imiteren en betekenis te geven aan wat ze horen en ervaren. Dit proces verloopt grotendeels spelenderwijs en de uitkomst is afhankelijk van de kwaliteit van het taalaanbod en de interactie met volwassenen en andere kinderen. Bij meertalige kinderen verloopt dit proces niet fundamenteel anders. Voor hen is het taalaanbod verdeeld over meerdere talen. Soms kennen ze in elke taal afzonderlijk minder woorden dan eentalige leeftijdsgenoten, maar in beide talen samen beschikken ze over een even grote – of zelfs grotere – woordenschat.
Het wisselen tussen talen is daarbij heel normaal en een teken van talige flexibiliteit, niet van verwarring. Wetenschappelijk onderzoek naar meertaligheid is de afgelopen decennia sterk toegenomen. De consensus is duidelijk: meertaligheid heeft geen negatieve invloed op de taalontwikkeling, mits kinderen een voldoende rijk en betekenisvol taalaanbod krijgen.
Sterker nog, meertaligheid kan voordelen bieden. Cognitief gezien ontwikkelen meertalige kinderen vaak een sterker vermogen tot probleemoplossend denken en flexibiliteit. Sociaal-emotioneel draagt erkenning van de thuistaal bij aan identiteit en een gevoel van eigenwaarde. En communicatief leren kinderen schakelen tussen verschillende contexten en gesprekspartners. Uit onderzoek, en in de dagelijkse praktijk, blijkt dat kinderen die hun thuistalen niet in de opvang mogen gebruiken zich minder op hun gemak voelen, minder spelen en daardoor ook minder leren. Thuistalen zijn een sterke basis, waar kennis van de wereld en van andere talen op wordt gebouwd.
Dit principe wordt ook onderschreven door de Onderwijsraad, die in een recent advies pleit voor het benutten van talige diversiteit in onderwijs en opvang. De boodschap vanuit de wetenschap is dus helder: beperk kinderen niet tot één taal, maar ondersteun hun volledige taalrepertoire.
Taal stimuleren
Bij het waarderen van thuistalen speelt taalontwikkeling een belangrijke rol. Die waardering begint bij erkenning. Wanneer de thuistaal van een kind zichtbaar en hoorbaar mag zijn, voelt het kind zich gezien. Dat draagt direct bij aan de emotionele veiligheid, een basisvoorwaarde voor ontwikkeling. Belangrijk is dat professionals op de opvang rijke taal aanbieden, zonder de thuistalen van het kind te onderdrukken. Door ruimte te maken voor alle talen ontstaat er voor iedereen een veilige leeromgeving.