En verder:
11 - Van rennen naar landen
14 - Muziekcolumn: Fietsen en fietsen
16 - Prikkelverwerking
19 - Bekijk de kansen en verlaag de werkdruk
22 - Rustpuntjes in je groep
28 - Tussen haast en verbinding
31 - Voetsporen in de drukte
38 - Okiddo 4-12 jaar: Podcast maken
42 - Yoga voor jonge kinderen
51 - De kracht van improvisatietheater
54 - Als iedereen iets van je wil
60 - Focusing met kinderen
70 - Rekenen als race
74 - Bewegen op de bso
82 - Breng rust in je groep met crebelen
84 - Media op de groep
90 - Geef kinderen ruimte
94 - Spelen als het druk is
Kinderen op niveau laten rekenen is een flinke uitdaging. De cijfers van de onderwijsinspectie liegen er niet om: slechts een op de drie basisschoolkinderen haalt het gewenste streefniveau voor rekenen. Bart-Willem van Huizum uit Zutphen besloot dat het tijd was voor een speelse oplossing.
Geïnspireerd door een droom waarin hij dit spel voor zich zag, trok hij de stoute schoenen aan en bracht zijn droom tot leven. Het resultaat is Math Masters, een kleurrijk bordspel dat inmiddels in elf talen en zeven landen is verschenen. Maar werkt een educatief rekenspel wel in de praktijk van de buitenschoolse opvang (bso), waar vrije tijd en ontspanning centraal staan? Pedagogisch professionals van Stichting KinderRijk in Amstelveen namen de proef op de som en testten het spel met kinderen in de leeftijd van 7 tot 12 jaar.
Universum vol zwevende getallen
Het idee voor Math Masters ontstond op vakantie in Boedapest. Na een droom over cirkels met getallen waar je al rekenend doorheen ging, begon hij met ontwerpen. Thuis rolden de eerste A4’tjes uit de printer om het speelbord te vormen, gecombineerd met pionnen uit een oude doos Mens-erger-je-niet. Na een intensieve periode van testen, onder andere in klaslokalen met zijn eigen kinderen Morris en Luca (naar wie ook twee van de spelfiguren zijn vernoemd), lag er een volwaardig spel.
Het dubbelzijdige bord oogt magisch en nodigt uit tot ontdekking; het is een universum vol zwevende getallen waarin spelers zelfs geteleporteerd kunnen worden. Het spelontwerp koppelt uitdagende rekenvaardigheden aan een competitieve dynamiek, waardoor er een natuurlijke vorm van ‘spelenderwijs leren’ ontstaat. Wie aan de beurt is, pakt een kaartje met een som. De uitkomst bepaalt de nieuwe positie op het bord. Om het spel toegankelijk te houden voor verschillende leeftijden, kent het twee niveaus. De makkelijke kant focust op plus- en minsommen, terwijl de andere kant ook vermenigvuldigen en delen introduceert. Volgens Van Huizum onderscheidt Math Masters zich van andere rekenspellen omdat de focus ligt op de race om te winnen, waardoor kinderen gaandeweg vergeten dat ze eigenlijk aan het rekenen zijn.
Wisselende reacties
Om te kijken of die magie ook overslaat naar de bso, speelden verschillende groepen het spel. De ontvangst door de pedagogisch professionals en de kinderen liet een even wisselend als interessant beeld zien.
Op de eerste testlocatie, waar werd gespeeld met kinderen van 8 en 10 jaar, reageerden de kinderen enorm enthousiast. Hoewel het opstarten en het doorgronden van de spelregels in de eerste tien minuten wat voeten in de aarde had, verliep het spel daarna soepel. De pedagogisch medewerker merkte op dat het spel uitstekend paste binnen de bso-setting omdat het naast rekenen ook de sociale interactie en het teamwork stimuleerde. De kinderen hielpen elkaar actief bij het oplossen van de sommen, waardoor het leerelement niet aanvoelde als schoolwerk. De kinderen gaven na afloop aan de poppetjes en de dobbelsteen erg leuk te vinden en wilden het spel zeker nog een keer spelen.
Ik stap een voorschool binnen, een paar dagen na een verontrustend belletje van een locatiemanager. Ze zegt dat ze het eigenlijk niet hardop mag zeggen, want het is niet aan haar om zoiets vast te stellen, maar het is echt waar: er lopen vijf ADHD’ers rond. Dan gaan bij mij meteen alle alarmbellen af. Óf we hebben het hier over een kans van één op een miljard (ik heb het niet uitgerekend, maar het klinkt goed), óf er is iets anders aan de hand.
Het is 8:50 uur wanneer ik de groep op loop. Ik groet de pedagogisch professionals, die amper doorhebben dat ik er ben, en verdwijn in een hoek om te observeren. Wat zijn ze hard aan het werk. Het zweet staat op hun voorhoofd en ze staan geen moment stil: van de ene hoek naar de andere, en maar corrigeren en aansturen. Het vrije spel oogt allesbehalve ontspannen. Niet voor de professionals, en ook niet voor de kinderen.
Lange minuten aan tafel
Om 9:00 uur klinkt het opruim-liedje en gaan de kinderen naar de kring. Het is 9:15 uur voordat iedereen zit; een paar kinderen rennen dan nog rond (de vermoedelijke ADHD’ers uit het telefoongesprek). Door alle onderbrekingen duurt de kring twintig minuten. Daarna aan tafel voor het fruitmoment, waar de kinderen nog eens drieëntwintig minuten moeten zitten. De eersten zijn na zeven minuten al klaar, en ik hoef niet te vertellen wie dat zijn. Dan volgen er nog zestien lange minuten aan tafel, het liefst enigszins stil. Als het tijd is om naar buiten te gaan, rennen de kinderen als koeien die de hele winter binnen hebben gestaan de deur uit. Ze springen en gillen, alles komt eruit.
De kind-bril
Oververhit komen twee professionals naast me staan. ‘Zo, je hebt het wel gezien, denk ik? Dit is geen doen.’ Ik erken dat ik ze ontzettend hard heb zien werken en dat het er pittig uitziet. En dan ontstaat het spanningsveld dat ik inmiddels goed ken.
Professionals kijken en praten op zo’n moment vaak vanuit wat Bert Wienen de kind-bril noemt. Ze verklaren de situatie vanuit problematiek die in het kind zou zitten. Er worden labels geplakt, bijna altijd ingeleid met: ‘Ik weet dat ik het niet mag zeggen, maar dit is echt...’ (ADHD, in dit geval). Dat verhaal is belangrijk om te ontvangen. De fout die we vroeger maakten, was eroverheen blazen en meteen naar de context kijken. Dan voelt een professional zich niet gehoord en staat diegene zodoende niet open voor wat ik te zeggen heb. We spreken uit ervaring. En laten we eerlijk zijn: kindgerelateerde problematiek kán een hypothese zijn. Het doel is niet om die van tafel te vegen, maar om te onderzoeken wat dit kind, of deze kinderen, in deze situatie kan helpen.
De context-bril
Daarvoor introduceren we de context-bril. De vraag wordt dan: wat zegt het gedrag van het kind eigenlijk over onze context? En welke aanpassingen kunnen we daarin maken? We zeggen in onze trainingen altijd: het kind ga je niet veranderen, de context wel.