Bevindingen van de TALENT-studie Regelmatig wordt cognitieve begaafdheid in verband gebracht met emotionele moeilijkheden en onbevredigende sociale relaties: (hoog)begaafde kinderen en jongeren zouden moeilijkheden hebben om te functioneren in een wereld die hen niet begrijpt. In dit artikel toetsen we dit negatieve stereotype aan gegevens uit de TALENT-studie, een onderzoek bij 3.409 Vlaamse jongeren uit het eerste jaar van het middelbaar onderwijs. Uit de gegevens blijkt dat cognitieve begaafdheid géén risicofactor is voor internaliserend of externaliserend probleemgedrag: jongeren die hoog scoorden op de intelligentietest rapporteerden gemiddeld minder externaliserende problemen en evenveel internaliserende problemen als normaal begaafde jongeren. Jongeren die ooit gediagnosticeerd werden als hoogbegaafd, vertoonden gemiddeld wél meer sociaal-emotionele problemen dan andere jongeren, wat impliceert dat deze groep niet representatief is voor begaafde jongeren in het algemeen.
Kijk naar indexscores in plaats van het TIQ Sinds de WISC-V-NL in gebruik is genomen, klinken er geluiden uit de praktijk dat hoogbegaafde kinderen een specifiek intelligentieprofiel hebben op de WISC-V-NL en lager scoren dan verwacht. Om die reden is gekeken naar de intelligentieprofielen van 121 hoogbegaafde kinderen. De resultaten bevestigen de praktijkervaringen: hoogbegaafde kinderen scoren vaak relatief hoog op Verbaal Begrip, en relatief laag op Verwerkingssnelheid en in mindere mate Werkgeheugen. In diagnostisch onderzoek naar hoogbegaafdheid zou met dit profiel rekening gehouden kunnen worden. Omdat de Totale intelligentie (TIQ) minder representatief lijkt, willen we aanraden om de Algemene Vaardigheids Index (AVI) als alternatief te gebruiken. De kracht van de WISC-V-NL ligt in de verschillende indexen die sterker en zwakker ontwikkelde vaardigheidsgebieden van het kind in beeld kunnen brengen.
De perfecte match? Volgens de laatste definities is hoogbegaafdheid een multidimensioneel concept dat zich in interactie met de omgeving kan ontwikkelen. Hoogbegaafde leerlingen worden echter momenteel vaak geïdentificeerd door hun IQ te bepalen. Dit sluit niet aan bij de wetenschappelijke kennis die beschikbaar is over hoogbegaafdheid, en biedt bovendien vaak geen handvatten voor het aanpassen van het onderwijs aan de specifieke behoeften van de (hoogbegaafde) leerling. Doordat bij dynamisch testen gebruik wordt gemaakt van training of instructie binnen de test, kan dit inzicht bieden in de instructiebehoeften van leerlingen. Bovendien kunnen hiermee de processen worden onderzocht die ten grondslag liggen aan de prestaties. Wetenschappelijk onderzoek naar het gebruik van dynamisch testen bij hoogbegaafde leerlingen ondersteunt het idee dat deze vorm van testen meer informatie biedt, maar voor gebruik in de praktijk zullen gespecialiseerde instrumenten moeten worden ontwikkeld.
Een literatuurstudie en theoretisch kader Er zijn nog steeds veel problemen bij het signaleren van hoogbegaafdheid bij kinderen en professionals hebben behoefte aan alternatieve signaleringsmethoden. Menstekeningen worden al geruime tijd gebruikt in diagnostisch onderzoek, maar het gebruik ervan als alternatief signaleringsinstrument voor hoogbegaafde kinderen is nog niet grondig onderzocht. In dit artikel bespreken we de mogelijkheden om menstekeningen te gebruiken als diagnostisch instrument bij vermoedelijke hoogbegaafdheid. Daarvoor geven we een overzicht van de kenmerken van cognitief functioneren, creativiteit, sociaal- en emotioneel functioneren en verkennen we in hoeverre deze kenmerken mogelijk terugkomen in tekeningen. Op basis van de beoordeelde literatuur wordt een theoretisch kader geschetst voor de analyse van menstekeningen voor signaleringsdoeleinden. Dit theoretisch kader vormt de basis voor een onderzoeksprogramma dat uiteindelijk moet resulteren in een goed onderbouwd diagnostisch screeningsinstrument.
S&Z-Heuristiek helpt misdiagnostiek te reduceren Er is een nijpend tekort aan adequate handelingsgerichte diagnostische deskundigheid onder schoolpsychologen en orthopedagogen bij vraagstellingen rond leerlingen met vermoedelijke hoogbegaafdheid (HB) en/of dubbel-bijzondere (2E) leerlingen. Dit hangt samen met enkele kwesties, die elkaar in een vicieuze cirkel versterken: gebrek aan empirisch onderbouwde kennis over (diagnostiek bij) 2E; eenzijdige expertise en het ontbreken van 2E-experts onder diagnostici; denken in diagnostische categorieën ofwel ‘etiketten’; inkrimping van diagnostiek bij onder meer expertisecentra van samenwerkingsverbanden. Dit alles leidt tot onvoldoende herkenning van kenmerken van 2E, eenzijdige duiding richting enerzijds HB plus onderpresteren of anderzijds HB plus een leer- of ontwikkelingsstoornis, en tot ongebalanceerd afgestemde interventies. In dit artikel illustreren we hoe de systematische werkwijze van de Sterkte & Zwakte Heuristiek kan helpen de diagnostische bias tegen te gaan. We sluiten af met een voorstel om HB en 2E te beschouwen als constructen op een continuüm.