Het belang van leerkracht-leerlingrelaties in het speciaal onderwijs “Mijn kind heeft geen ‘klik’ met de leerkracht…” Dat kan natuurlijk gebeuren. Maar hoe erg is dat eigenlijk? Sociale processen in klassen, zoals leerkracht-leerlingrelaties, kunnen een belangrijke beschermende of belemmerende factor zijn voor de ontwikkeling van leerlingen. Dit geldt mogelijk nog sterker voor leerlingen met gedrags- en ontwikkelingsproblemen in het speciaal onderwijs (cluster 4). Dit onderzoek laat zien dat de relatie van de leerling met de leerkracht niet alleen samenhangt met het gedrag van leerlingen, maar ook met de mate waarin leerlingen geaccepteerd worden door klasgenoten. Conflict in de leerkracht-leerlingrelatie blijkt hierbij een belangrijkere voorspeller dan de positieve kenmerken van de leerkracht-leerlingrelatie. Implicaties voor de praktijk worden besproken.
Positief opvoeden bij pleegzorg Wanneer kinderen (tijdelijk) niet bij hun biologische ouders kunnen wonen, heeft gezinsopvoeding zoals pleegzorg de voorkeur. Kinderen die in een pleeggezin geplaatst worden, hebben vaak negatieve ervaringen gehad, zoals het gescheiden worden van hun biologische ouders en kindermishandeling. Deze ervaringen kunnen resulteren in emotionele en gedragsproblemen. Ook bemoeilijken deze ervaringen de ontwikkeling van een veilige gehechtheidsrelatie met de pleegouders, terwijl een veilige gehechtheidsrelatie juist emotionele en gedragsproblemen kan voorkomen of verminderen. Uit meta-analyses blijkt dat pleegouders baat kunnen hebben bij interventies die erop gericht zijn om hen te ondersteunen bij uitdagingen die zij ervaren bij de opvoeding van hun pleegkind. Met name ouderuitkomsten en gedragsproblemen bij pleegkinderen lijken te veranderen als gevolg van interventies. Voor de effectiviteit van Video-feedback Intervention to promote Positive Parenting and Sensitive Discipline voor pleegzorg (VIPP-FC) is in huidig promotieonderzoek nog geen bewijs gevonden.
Goed voor het kind? In de afgelopen jaren heeft co-ouderschap steeds meer steun gekregen als model om de verhouding tussen gescheiden ouders en hun kinderen te regelen. Co-ouderschap benadrukt de gelijkwaardigheid van beide ouders en er is veel onderzoek dat voordelen ervan voor kinderen rapporteert. Dit roept de vraag op of co-ouderschap als wettelijk uitgangspunt bij echtscheiding ingevoerd moet worden. Uit ons literatuuronderzoek blijkt dat niet met zekerheid te stellen is dat de voordelen van co-ouderschap voor kinderen veroorzaakt worden door de co-ouderschapsregeling. Het kan ook zijn dat deze verklaard worden door kenmerken van de ouders en hun onderlinge verhouding. Evaluaties van wettelijk ingevoerde co-ouderschapsregelingen in Zweden, België en Australië laten zien dat co-ouderschap ook schadelijke effecten kan hebben, vooral bij kinderen van hoog-conflictueuze koppels. Wat voor deze koppels en hun kinderen misschien wel zou kunnen helpen, is het (verplicht) aanbieden van bemiddeling.
Een middel voor bewustwording en samen leren Passend onderwijs doet een groot beroep op de pedagogische kwaliteiten van leraren. Leraren geven aan dat de verschillen in onderwijsbehoeften toegenomen zijn en dat problemen complexer zijn geworden. Dat raakt hun gevoelens van handelingsbekwaamheid (self-efficacy). Er is behoefte aan ondersteuning bij het omgaan met deze diversiteit, zeker waar het gaat om gedrag. School-video-interactiebegeleiding (svib) is een effectieve manier om leraren daarbij te helpen. Svib is echter een individuele benadering. Uit onderzoek is bekend dat juist een team van collega’s waarin nauw wordt samengewerkt, helpt om beter in te kunnen spelen op diversiteit. We hebben daarom onderzocht of svib toegepast kan worden in een leergemeenschap. Uit het onderzoek blijkt dat een svib-gemeenschap positieve effecten kan hebben, waarbij leraren zich vooral meer bewust worden van de dingen die goed gaan.
Minst en meest gevorderde leerlingen de dupe De onderwijsinspectie constateert jaarlijks dat in scholen veel goed gaat. Maar steeds doen zich ook vergelijkbare schoolproblemen voor bij de relatief minst en meest gevorderde leerlingen. Deze ‘risicoleerlingen’ ervaren duidelijk méér motivationele, sociale, emotionele, leer- en gedragsproblemen dan gemiddeld gevorderde leerlingen. Via een review van onderzoek werd geanalyseerd wat de oorzaken hiervan zijn. Kenmerken van het reguliere leerstofjaarsysteem creëren verschillende valkuilen en daarmee schoolproblemen voor de risicoleerlingen in elke groep of klas. Maatregelen als interne differentiatie, achterstanden- of gelijkekansenbeleid, zittenblijven, versnellen en passend onderwijs hebben geen blijvende effecten.