Alternatieven voor de ooievaar

Alternatieven voor de ooievaar

Productgroep Ouderschapskennis 2004-2
3,90

Omschrijving

Fantasieën over vaderschap in gezinnen met een donorkind

Oorspronkelijke titel: Alternatives to the stork; fatherhood fantasies in donor insemination families. Dit artikel is eerder verschenen in Studies in Gender and Sexuality 1(4): 371-397, 2000.
Diane Ehrensaft, PhD, is hoogleraar aan het Wright Institute, Berkeley en docent aan het Psychoanalytisch Instituut van Noord-Californië. Ze is daarnaast hoofddocent bij het Children’s Psychotherapy Project, klinisch supervisor van de Afdeling Psychiatrie van het Mount Zion Medical Center van de Universiteit van Californië in San Francisco en de auteur van Spoiling Childhood.

Door de voortplantingstechnologie zien zowel gezinnen als therapeuten zich geplaatst voor de uitdaging om te doorgronden wat er psychologisch gebeurt wanneer een kind geboren wordt met behulp van donorzaad of-eicellen. Dit artikel gaat in op één bepaald aspect van deze uitdaging: vaderimago’s en -fantasieën bij ouders, donoren en kinderen in gezinnen met een kind uit donorinseminatie. Vier psychodynamische onderwerpen worden onderzocht: ontkenning van de werkelijkheid en ontkenning van het onbewuste, de kracht van het onbewuste en van het ‘ongedachte weten, terugval naar en weerstand tegen deel-objectdenken, en paradoxale psychische constructie en destructie van de vader. In het verlengde van de theorie van Winnicott dat er geen kind is zonder moeder, concludeert de auteur dat er evenmin een kind is zonder al degenen die het kind maken en al degenen die het grootbrengen.

Tien jaar geleden had ik een etentje met acht andere therapeuten. Ik greep de gelegenheid aan voor een informele consultatie en vroeg hulp voor een probleem waarmee ik op mijn werk was geconfronteerd. Ik had het drie jaar oude dochtertje van een lesbisch stel in behandeling, dat een van de moeders gekregen had via anonieme donorinseminatie. Sinds kort stapte Maddy, het kleine meisje, op elke man af die in haar crèche verscheen, pakte zijn been vast en vroeg smekend: ‘Ben jij mijn pappa?’ Thuis bleef ze constant die ene vraag stellen: ‘Waar is mijn pappa?’

De moeders wilden dat ik hen hielp om Maddy’s vraag zo subtiel mogelijk te beantwoorden, en op een manier die paste bij haar ontwikkeling. Tot mijn verbazing hadden mijn acht raadgevers evenzovele totaal verschillende (en zeer uitgesproken) adviezen. Deze varieerden van ‘Waarom wil je dat weten, liefje?’ via ‘Daar hebben we het wel over als je groter bent’, via ‘Je hebt geen pappa, schat’, via ‘Sommige kindjes hebben een pappa en een mamma, soms hebben ze twee pappa’s, soms twee mamma’s, en soms hebben ze alleen een pappa of alleen een mamma; en jij hebt twee mamma’s’, via ‘Er zijn pappa’s die kindjes maken en pappa’s die voor kindjes zorgen. Jij had een pappa die je gemaakt heeft, maar twee mamma’s die voor je zorgen’, tot ‘Jouw pappa was een lieve meneer die Mammie en Mama geholpen heeft met zaadjes voor Mammies eitje, zodat we jou konden krijgen.’