De sprekende dove - Dovenonderwijs in Rotterdam in de negentiende eeuw

De sprekende dove - Dovenonderwijs in Rotterdam in de negentiende eeuw

Productgroep Over pedagogische kwaliteit
3,90
Abonneeprijs: 1,56

Omschrijving

Als het ergens op pedagogische kwaliteit aankomt, dan is het wel in het onderwijs aan kinderen met een beperking. Het is dan ook tekenend dat vernieuwingen in het onderwijs eigenlijk zijn voorbereid op speciale scholen. Een bekend voorbeeld is M. Montessori die haar pedagogisch concept ontwikkelde vanuit haar ervaringen met het onderwijs aan kinderen met een verstandelijke beperking. Ook het onderwijs aan dove kinderen is een voorbeeld. Voordat scholen aanschouwingsonderwijs realiseerden, was dat al in het midden van de negentiende eeuw in praktijk gebracht op de Rotterdamse dovenschool, de school die hier centraal staat. Onderwijzers trokken er met hun leerlingen op uit en benutten voorwerpen uit het dagelijks leven in hun lessen. En voordat scholen aanvankelijk lezen en schrijven in onderlinge samenhang aanboden, had de Rotterdamse dovenschool daarvoor al een methode ontwikkeld. Maar er is ook geen type onderwijs waar zoveel strijd is gevoerd om de te volgen methode dan het onderwijs aan doven en slechthorenden, een onderscheid dat in de negentiende eeuw nog niet werd gemaakt. Deze strijd heeft alles te maken met de aard van de beperking. Wie van jongs af aan (bijna) niet kan horen, zal niet uit zichzelf leren spreken. Het spreken is immers, als andere vaardigheden die kinderen zich spelenderwijs eigen maken, gebaseerd op imitatie. Het spreken moet dan apart worden aangeleerd, hetgeen een moeizaam proces is: veel oefenen voor de spiegel, het voelen van trillingen aan keel, hoofd en neus, en het leren zich bewust te zijn van luchtstromen en ademhaling. Omdat doof zijn vaak gepaard ging met niet kunnen spreken, werden doven tot ver in de twintigste eeuw aangeduid als ‘doofstom’ en waren de scholen die zij bezochten ‘doofstommenscholen’, ook al leerden kinderen er spreken en liplezen.