Dyslexie bestaat, maar het protocol en het primair onderwijs moeten op de schop

Dyslexie bestaat, maar het protocol en het primair onderwijs moeten op de schop

Productgroep Bestaat dyslexie?
3,95
Abonneeprijs: 1,58

Omschrijving

De Inspectie (2019) heeft aangetoond dat er (te) veel leerlingen zijn met een dyslexieverklaring. In groep 8 gaat het om 7,5% van wie 6,5% met ernstige enkelvoudige dyslexie (EED). Nog een heel opvallend feit: in de eerste klas van het voortgezet onderwijs stijgt de proportie tot 11,5%, om ten slotte, bij het eindexamen, op 14% uit te komen. Op basisscholen met overwegend NT1/midden en hogere SES-populatie zijn het er meer dan op scholen met overwegend NT2/lagere SES-populatie. Beide bevindingen kloppen niet met de standaard en de criteria van het Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling 2.0 (PDD&B 2.0), want op het niveau van groep 8 gaat het, volgens vastgestelde standaard, om 3,6% met EED (Blomert, 2006a, 2006b; PDD&B 2.0, 2013) en de criteria sluiten NT2 en/of lagere SES-populatie niet uit. De vraag is dus of de standaard en de criteria, gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, deugen. Beter gezegd: de vraag is of dat onderzoek wellicht achterhaald is door voortschrijdend inzicht. 

Voorstellen tot bijstelling van het protocol om de overdiagnose te beperken 

Volgens het PDD&B verloopt het diagnostisch onderzoek in vier stappen. Stap 1. Is er sprake van ernstige lees- en spellingsproblemen (criteriumvariabelen voor verwijzing naar diagnostiek)? De criteriumvariabelen zijn woordlezen en spelling. Standaarden: snelheid van woordlezen bij laagste 10%, of spelling bij laagste 10% en woordlezen bij laagste 16%. Deze resultaten dienen op drie achtereenvolgende meetmomenten van het leerlingvolgsysteem (LVS) behaald te worden. De periode waarop het PDD&B van toepassing is, is de leeftijd van 7-12 jaar, ofwel groep 3-8 van het primair onderwijs. Strikt toegepast, dat wil zeggen zonder de uitsluitingen die gedicteerd worden in stap 2-4, zijn deze standaarden al een bron van problemen. Er is berekend dat, wanneer de standaard van laagste 10% bij snelheid van woordlezen op drie opeenvolgende meetmomenten wordt toegepast in de genoemde periode, het percentage gegadigden oploopt van 4% (eind groep 4) tot 13% (midden groep 8) (Keuning, Verhoeven & Vloedgraven, 2014). Dat betekent dat de criteria van stap 2-4 een reductie dienen te realiseren van tegen de 10% om in groep 8 op 3,6% uit te komen. Waarom lukt dat niet?