Een theoretisch kader voor contact met gezin en familie voor kinderen in langdurige pleegzorg

Een theoretisch kader voor contact met gezin en familie voor kinderen in langdurige pleegzorg

Productgroep Ouderschapskennis 2004-2
Susan C. Mapp | 2004
3,90

Omschrijving

Onderzoek heeft aangetoond dat pleegkinderen haat kunnen hebben bij een relatie met hun biologische gezin en familie (Hess, 1988). De voordelen zijn onder andere het ontwikkelen van hechtings-vaardigheden, oplossing van de identiteitscrisis van de puberteit en de ontwikkeling van relaties voor het leven die elders misschien niet mogelijk is. Meestal echter verliezen kinderen in langdurige pleeg-zorg het contact met hun biologische familie (Casey Family Program, 1998) vanwege ongeïnteresseerdheid of laksheid bij de volwassenen in hun leven: familie, maatschappelijk werkers en pleegouders.

Het doel van dit artikel is viervoudig. De bestaande literatuur over familiehereniging en bezoekregelingen voor kinderen in pleegzorg wordt doorgenomen om, ten eerste, een stevig uitgangspunt te ontwikkelen, en ten tweede een kader te ontwikkelen voor goed verlopend familiebezoek voor pleegkinderen. Ten derde worden praktische suggesties gedaan daarvoor en voor het omgaan met de reacties op het bezoek. Ten slotte worden belemmeringen voor positieve familiebanden onderzocht, evenals mogelijke oplossingen. De voorbeelden betreffen uitsluitend kinderen in langdurige pleegzorg (3 jaar of langer) binnen een project dat de auteur onderzocht.

De term ‘biologische familie’ verwijst naar alle bloedverwanten van het betreffende kind en niet alleen naar het eigen gezin. Familie in bredere zin hoort daar dus bij, maar fictieve familie niet. De term ‘terugplaatsing’ behelst daarom niet alleen het nucleaire gezin, maar ook andere familie, want in de meeste gevallen had het kind de band met alle familie verloren. Ook de traditionele term ‘zorg van verwanten valt binnen deze term. Terugplaatsing betreft dus alle niveaus van contact tussen de biologische familie en het kind.