In dit artikel staat de vraag centraal of de pedagogiek uit de pedagogiek verdwenen is.
Er wordt door meerdere pedagogen gesteld dat de empirisch-analytische pedagogiek de dominante traditie is en de geesteswetenschappelijke het onderspit heeft gedolven. Om deze hypothese te toetsen is er onderzoek gedaan naar de handboeken die gebruikt worden in de tweedegraads lerarenopleidingen in Nederland bij de pedagogische vakken.
Uit het onderzoek blijkt dat de empirisch-analytische pedagogiek inderdaad dominant is in de handboeken. Dat is te zien aan de focus op de naturalistische benaderingen van de ontwikkelingspsychologie, sociale psychologie en de psychiatrie. Er zijn wel geesteswetenschappelijke elementen aanwezig, maar er wordt overwegend uitgegaan van een reductionistisch mensbeeld en van de effectiviteit van interventies. Opvattingen over pedagogisch handelen zijn ‘smal’ te noemen. Het lijkt erop dat de geesteswetenschappelijke pedagogiek in Nederland aan importantie heeft ingeboet, waardoor essentiële aspecten van opvoeding, onderwijs en mens-zijn uit het zicht dreigen te raken, zoals de subjectiviteit van leerlingen en de ethische dimensie van opvoeding en onderwijs en de brede vorming van leerlingen.
1 Inleiding
De pedagogiek is uit de pedagogiek verdwenen
In 2012 publiceerde de pedagoog Levering een artikel met de enigszins enigmatische ondertitel: Hoe de pedagogiek uit de pedagogiek verdween. In dat artikel stelt Levering dat een bepaalde benadering in de pedagogische wetenschappen, namelijk ‘de pedagogiek als praktische wetenschap op fenomenologische basis’, is vervangen door ‘het empirisch-analytische wetenschapsparadigma’ (Levering, 2012, p. 146). Levering betreurt dit. Volgens hem is ‘met het dominant worden van de empirisch-analytische benadering in de pedagogiek, de oorspronkelijke ambitie om inhoud te geven aan een normatieve oriëntatie teloor gegaan’ (Levering, 2012, p. 146). Elders betoogt Levering dat: ‘normatieve vraagstukken uit de Pedagogiek werden opgeofferd aan een strikt empirisch-analytische benadering’ (Koops et al., 2014, pp. 193-194). Hij stelt dat wie de geschiedenis van de pedagogiek als wetenschapsgebied overziet, tot de conclusie moet komen dat het meest oorspronkelijke deel van de pedagogiek van haar vervreemd is (Koops et al., 2014). De pedagogiek heeft een geesteswetenschappelijke oorsprong, maar het zicht op die oorsprong is door de empirisch-analytische benadering weggedrukt (Levering, 2016).
Levering is niet de enige Nederlandse pedagoog die zich beklaagt over de empirisch-analytische dominantie in de pedagogiek. Ook Biesta (2018), Koops (2016), Meijer (2016) en De Winter (2023) hebben zich op vergelijkbare wijze uitgelaten. Koops (2016) stelt bijvoorbeeld dat de pedagogiek het waarom en waartoe van de opvoeding aan de orde zou moeten stellen. Normatieve vragen kunnen volgens hem namelijk niet empirisch-analytisch beantwoord worden. En omdat in de wetenschappelijke pedagogiek normatieve vragen niet meer aan de orde komen, verwaarloost de pedagogiek haar eigenlijke taak, aldus Koops. In dit artikel willen we de hypothese toetsen of de pedagogiek uit de pedagogiek verdwenen is. Dat doen we aan de hand van voorgeschreven handboeken pedagogiek aan tweedegraads lerarenopleidingen in Nederland.
De tweedegraads lerarenopleidingen bestaan uit bacheloropleidingen die studenten opleiden om les te kunnen geven in de eerste drie jaren van het secundaire onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. We hebben voor deze aanpak gekozen omdat pedagogiek voor de opleiding van leraren als een fundamenteel vakgebied wordt gezien. Niet alleen is in Nederland de pedagogische bekwaamheid door het Ministerie van Onderwijs (2017) wettelijk vastgelegd als bekwaamheidseis voor leraren, ook de generieke kennisbasis VO zoals gepubliceerd door de Vereniging Hogescholen (2017) ziet het pedagogische handelen van de docent als een van de drie domeinen naast het didactische en professionele domein. Het uitgangspunt van ons onderzoek is dat de voorgeschreven handboeken pedagogiek ons inzicht kunnen geven in de vraag welke benadering van pedagogiek – de empirisch-analytische of de geesteswetenschappelijke – de overhand heeft.
2 Theoretisch kader
Het theoretisch kader van ons onderzoek is wetenschapsfilosofisch. Op grond van wetenschapsfilosofische analyse zal getracht worden te verhelderen wat de verschillen zijn tussen de geesteswetenschappelijke en de empirisch-analytische benadering van de pedagogiek. De kenmerken van enerzijds de geesteswetenschappelijke en anderzijds de empirisch-analytische pedagogiek kunnen vervolgens als interpretatief kader dienen om handboeken te analyseren. We zullen hieronder vooral analyseren wat de verschillen zijn tussen de twee stromingen in de pedagogiek als het gaat om:
1) epistemologische uitgangspunten;
2) metafysische uitgangspunten en
3) de relatie tussen de wetenschappelijke theorie en de opvoedingspraktijk.
Pedagogiek is geen natuurwetenschap maar een sociale wetenschap die opvoeding als onderzoeksobject heeft (Cuypers, 2016). Een belangrijk kenmerk van de sociale wetenschappen is dat er sprake is van een richtingenstrijd. Dat houdt in dat er geen consensus bestaat over de methode, studieobject, theorievorming en verklaringsmodellen in de sociale wetenschappen (Rosenberg, 2012). Grofweg kun je in de sociale wetenschappen twee stromingen onderscheiden. Enerzijds is er de stroming die het als de voornaamste taak van sociale wetenschappers ziet om sociale feiten en fenomenen te verklaren. Door deze wetenschappers wordt er vaak gewezen op de overeenkomsten met de natuurwetenschappen, waar ook verklaringen worden gegeven, zij het van natuurlijke fenomenen en organismen. Dit wordt vandaag de dag ook wel het naturalisme in de sociale wetenschappen genoemd en dat is ook de term die wij in dit artikel zullen gebruiken (Bevir & Blakely, 2018).Verklaringsmodellen die in de natuurwetenschappen gangbaar zijn, zoals het hypothetisch-deductief verklaringsschema en de deductief-nomologische verklaring, worden ook als gepast voor de sociale wetenschappen gezien. De epistemologische vooronderstelling van de naturalistische stroming is dus dat de wijze waarop kennis wordt vergaard in de sociale wetenschappen vergelijkbaar is met de wijze waarop kennis wordt vergaard in de natuurwetenschappen. Beide zijn op zoek naar causale generalisaties: wetten of regelmatigheden die feiten kunnen verklaren en als basis dienen voor voorspellingen. De metafysische vooronderstellingen – opvattingen over de aard en structuur van de werkelijkheid – die daaraan ten grondslag liggen, zijn dat het onderscheid tussen het gedrag van mensen, groepen en samenlevingen en het gedrag van dieren, elektronen en neuronen eerder gradueel is dan absoluut (De Vries, 1995; Rosenberg, 2012).
In het verlengde daarvan ligt het reductionisme: het verklaren van complexe sociale of mentale fenomenen vanuit onderliggende fysieke of biologische processen. Een radicale variant van dit reductionisme is het eliminatief materialisme dat stelt dat mentale gewaarwordingen, zoals de ervaring van pijn en vrije wil, illusies zijn omdat alle mentale gewaarwordingen niet bestaan en uiteindelijk niets anders zijn dan fysieke processen (Looren de Jong & Bem, 2008; Searle, 1992; Searle, 2004).