Kinderopvang als opvoedingsmilieu: Wat zijn de effecten en wat betekent het voor jongens?

Kinderopvang als opvoedingsmilieu: Wat zijn de effecten en wat betekent het voor jongens?

Productgroep Opvoeding als spiegel van de beschaving
3,90
Abonneeprijs: € 1,56

Omschrijving

In de afgelopen vijftien jaar is de institutionele kinderopvang enorm gegroeid. Op dit moment gaan 625 000 kinderen naar de kinderopvang: 215 000 naar de buitenschoolse opvang (BSO), 295 000 naar een kinderdagverblijf (KDV) en 140 000 naar een gastouder (van wie er 25 000 ook naar het KDV of de BSO gaan). Dat betekent dat bijna een op de vier kinderen onder de 13 jaar de formele opvang bezoekt. In 2006 was dat nog een op de vijf (CBS, 2008). De groei van het aantal deelnemers is soms spectaculair, bijvoorbeeld in de buitenschoolse opvang. In 2000 ging nog geen 5 procent van de 4-12-jarigen naar de BSO. Eind 2007 was dat percentage gestegen tot 15 procent, een indrukwekkende toename (Taskforce Combinatiefuncties, 2008). Het antwoord op de vraag of deze trend zich de komende jaren zal voortzetten is speculatief. Een verdere groei tot bijvoorbeeld 50 procent zou – voor Nederlandse begrippen – zeer opmerkelijk zijn.

Bovenstaande cijfers maken in ieder geval duidelijk dat de behoefte aan opvangplaatsen in Nederland flink is toegenomen. Maar een ‘Scandinavisch model’, waarin verreweg de meeste kinderen vijf dagen per week na schooltijd worden opgevangen, lijkt in ons land nog erg ver weg. In de woorden van Portegijs en Keuzenkamp (2008): ‘Dat moeders werken is geen issue meer, maar dat ze een voltijdbaan hebben gaat de meeste Nederlanders te ver.’ 40 procent van de bevolking vindt dat een gezin eronder lijdt als de vrouw een voltijdbaan heeft. Ruim 60 procent van de vrouwen en bijna driekwart van de mannen vindt dat een baby het best alleen door de eigen ouders kan worden verzorgd. Naarmate kinderen ouder worden, daalt dit percentage. Voor peuters liggen de percentages bij dezelfde vraag op ruim een derde van de vrouwen en bijna de helft van de mannen. De scepsis ten aanzien van opvang geldt niet alleen voor de jongste kinderen. Want een flink deel van de Nederlandse bevolking toont zich evenmin een groot voorstander van buitenschoolse opvang voor kinderen op de basisschool. Ongeveer 60 procent vindt dat deze kinderen het best thuis opgevangen kunnen worden door een van de eigen ouders. Dat betekent dat formele opvang vooral geschikt wordt gevonden voor peuters tussen de twee en vier jaar en dan voor maximaal drie dagen per week. Opvallend is dat jonge vrouwen en mannen op een aantal punten ‘ouderwetser’ denken dan de leeftijdscohorten voor hen.