Het is me een hele eer dat ik dit jaar de Mulock Houwer-lezing mag verzorgen. Ten eerste natuurlijk vanwege de bijzondere figuur van Daan Mulock Houwer, een invloedrijke ervaringsdeskundige in de jeugdzorg. Daarnaast is het ook een eer dat ik in de voetsporen mag treden van zeer gewaardeerde voorgangers, van wie er maar liefst drie collega van me zijn geweest bij de Groningse afdeling Orthopedagogiek waar ik met steeds meer trots werk: Carla van Os, Tom van Yperen en Bert Wienen. Maar ook andere pedagogen die ik zelf al lange tijd volg, zoals Micha de Winter en Ido Weijers, verzorgden eerder de Mulock Houwer-lezing. Ik sta vandaag een beetje op de schouders van al deze fantastische mensen, wat jullie zullen gaan merken in mijn verwijzingen naar hun werk.
De titel van mijn verhaal luidt ‘Ruimte maken voor verschillen’. Niet de meest spectaculaire titel, maar elk woord erin doet ertoe. Allereerst Ruimte: ik ga pleiten voor meer ruimte voor kinderen én meer ruimte voor pedagogen en orthopedagogen. Die ruimte moeten we actief Maken. Opereren naast het dominante stoornisparadigma is niet genoeg; als we dat achterhaalde gedachtengoed niet ontmantelen, dan blijven we als pedagogen bescheiden rommelen in de marge. En daarmee doen we kinderen tekort. Voor, het derde woord in de titel, is ook van belang, want ik ga in mijn lezing weliswaar tekeer tegen van alles, maar dat staat in teken van een oproep vóór het omarmen van verschillen en verscheidenheid. Verschillen is het sleutelwoord.
Verschillen tussen kinderen zijn er, bijvoorbeeld in de mate waarin het opgroeien niet vanzelf gaat. En verschillen zijn waardevol, een opvoeding waarbij het schuurt leert ons dingen (Wienen, 2025).
Maar ook als dat niet zo is, dan is het – in de woorden van Mulock Houwer zelf – ‘éénvoudig een plicht van de gemeenschap om haar in moeilijkheden verkerende kinderen tijdig te helpen’. Met dit citaat begon Bert Wienen zijn lezing in 2021. Hij hield een pleidooi voor een nieuw kinderrecht, namelijk het recht om te falen. Een terecht recht, laten we ophouden elkaar op te hitsen om uit alle macht het ‘het beste’ uit onszelf én uit onze kinderen te halen. In de woorden van cabaretier Theo Maassen in zijn huidige theatershow Onbegonnen Werk: ‘Het beste van jezelf, dat kun je toch juist beter laten zitten?’
Overigens had Mulock Houwer, zelf opgegroeid in tehuizen en pleeggezinnen, het overwegend over kinderen die geen thuis meer hadden of niet meer thuis konden wonen. Mijn betoog gaat over de snelst gegroeide en meest voorkomende vorm van jeugdzorg, namelijk de ambulante jeugdhulp (CBS, 2024). Ambulante jeugdhulp betekent dat de jongere thuis woont, en hulp krijgt voor psychische of gedragsproblemen, en/of dat de ouders hulp krijgen bij de opvoeding. Een groot deel van deze kinderen krijgt ook een diagnostisch label zoals ADHD, autisme, depressie of dyslexie (Universiteit Utrecht, n.d.).
Ik denk dat vrijwel iedereen het er wel mee eens is dat het ‘een plicht van de gemeenschap is om haar in moeilijkheden verkerende kinderen tijdig te helpen’. Over de vraag hoe dat helpen het beste kan, zijn de meningen echter verdeeld. De halve eeuw die achter ons ligt heeft in teken gestaan van helpen middels het in toenemende mate sleutelen aan individuele kinderen en hun ouders. In deze lezing schets ik hoe we in deze behandelcultuur beland zijn en vervolgens hoe effectief al het gelabel en ge-behandel geweest is. Ik kan u alvast verklappen, dat valt nogal tegen. Hoewel dat steeds duidelijker wordt, blijkt het lastig te zijn om dingen fundamenteel anders te doen. Ik ga kort met u bespreken wat verandering zo lastig maakt. Ik sluit af met een aantal suggesties die kunnen helpen het nog altijd dominante medicaliserende stoornistij te keren. Hierbij versta ik onder medicalisering niet alleen medicatie voorschrijven, maar vooral ook het spreken over eigenschappen en gedrag in stoornistaal.