Medio 2025. Ergens in Nederland organiseert een gemeente een bijeenkomst over de jeugdzorg. Jeugdzorgprofessionals, beleidsmakers, juristen en lokale politici zijn bij elkaar gekomen. Zij denken na over oplossingen voor knelpunten in de jeugdzorg in de gemeente. Het doel van de bijeenkomst is om in co-creatie tot oplossingen te komen.
Kris, 21 jaar oud, pabo-student en voormalig pleegkind, is ook uitgenodigd.
De host introduceert haar op het podium als ‘het perspectief van de jongere’.
Ze krijgt een stoel aangeboden. De mensen in de zaal wordt gevraagd om haar te betrekken bij de co-creatiesessie. Ze kunnen vragen aan Kris stellen.
Kris gaat zitten. Ze kijkt toe hoe mensen aan verschillende tafels ervaringen en ideeën uitwisselen en opschrijven op grote vellen papier. Ze vangt flarden van gesprekken op: “Het huidige beleid brengt discontinuïteit met zich mee”, “Het systeem van marktwerking en aanbestedingen zorgt voor kortetermijndenken”, “Denk je niet dat we het vooral moeten hebben over onze discretionaire ruimte?” Ze begrijpt niet goed waar de mensen het over hebben. De mensen kijken niet naar haar. Zo gaan drie rondes van 45 minuten voorbij. Haar wordt niks gevraagd.
Tegen het einde van de bijeenkomst betreedt de host opnieuw het toneel. Ze prijst de deelnemers voor het harde werken en de mooie oplossingen. “Maar”, zo begint ze, ”er moet me ook iets van het hart.” Ze benoemt het feit dat niemand in de zaal naar het perspectief van Kris heeft gevraagd. In de zaal is een schrikreactie voelbaar. Iedereen kijkt naar Kris. Verbaasde en meelevende reacties volgen. Maar Kris hoort ze niet. Zij is vooral op zoek naar het bordje van de nooduitgang.
Bovenstaand verhaal is gebaseerd op een ervaring van een jongere die in een pleeggezin woonde. Jongeren die deel uitmaken van het jongerenteam van het lectoraat Stem van Kinderen in de Pleegzorg herkenden het vanuit hun eigen ervaringen, en vulden het verhaal aan. Volgens de jongeren geeft het voorbeeld weer hoe zij zich konden voelen in de tijd dat ze in een pleeggezin woonden. Een jongere zei tijdens een bijeenkomst van het jongerenteam: “Ook al willen volwassenen wel luisteren, ze doen het vaak niet. Als ze wel luisteren, dan gaan ze die avond rustig slapen en staan ze de volgende ochtend weer op. Ze gaan door met waar ze altijd al mee bezig waren.”
Verschillende onderzoeken bevestigen het verhaal van deze jongeren. Uit de onderzoeken blijkt dat veel belangrijke en levensbepalende beslissingen over kinderen in de pleegzorg worden genomen door volwassenen. Tegelijkertijd wordt er onvoldoende naar hen geluisterd (Degener et al., 2020, Grietens, 2011; Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd [IGJ], 2025; Steenbakkers, 2018; Van der Zon, 2020). In recent onderzoek van IGJ (2025) geven kinderen in de pleeg- en jeugdzorg aan dat ze onvoldoende inspraak hebben en onvoldoende mee mogen beslissen over de hulp die hun wordt geboden. Ook voelen ze zich onvoldoende serieus genomen. Uit een analyse van het Nederlandse jeugdzorgbeleid over een periode van vijftig jaar blijkt bovendien dat niet of onvoldoende luisteren naar kinderen in de pleeg- en jeugdzorg een hardnekkig probleem is dat al langere tijd bestaat (Stellaard, 2023).