Interview met Jana Knot-Dickscheit en Lonneke Schuringa
Ankie Lok
Van weten naar doen
Integraal werken met jeugdigen en gezinnen
Laura Nooteboom, Marieke Boelhouwer, Eva Mulder, Cora Bartelink, Marcel van Eck, Rob Gilsing & Jana Knot-Dickscheit
Een betekenisvol leven
Van denkwijze naar werkwijze in een integrale autismezorg
Jan-Pieter Teunisse
Werken aan een integraal aanbod voor het jonge kind
Ontwikkeling en validatie van de Kindcentrum-scan
Ruben Fukkink, Marian Ooms, Bonne Zijlstra, Emma Nitert & Annelies Kassenberg
Gericht en gepast: Gehechtheid in het diagnostische proces Tharner
Vervolg op ‘Meten is weten? Dilemma’s bij het in kaart brengen van gehechtheid in onderzoek en praktijk’
Anne Tharner, Marije Verhage, Mirjam Oosterman, Mariëlle Abrahamse, Lianne Bakkum, Alice van Dijk-Lokkart, Mirte Forrer, Hans Giltaij, Frank van der Horst, Caroline Jonkman, Rianne Kok, Maartje
Luijk, Frederike Scheper, Carlo Schuengel & Paula Sterkenburg
Interprofessionele samenwerking in kindcentra
Kansen en knelpunten vanuit een hrmlens
Rachel Verheijen-Tiemstra
In de autismezorg wordt al jaren gezocht naar vormen van behandeling en ondersteuning vanuit een integrale levensloopvisie. Hoewel er al succesvolle pilots van levensloopbegeleiding zijn geweest, is er nog steeds geen landelijke implementatie. In het project Enactive Mind Autisme wordt aan een enactivistische werkwijze gewerkt die de levensloopvisie plaatst binnen netwerkzorg, vanuit de centrale vraag: Hoe kunnen we deze persoon met autisme ondersteunen in het reguleren van zijn of haar interacties met de omgeving, op een manier die betekenisvol is voor hem of haar?
Daan is 14 jaar en heeft een autismespectrumstoornis. Hij woont samen met zijn moeder en jongere zus in een rijtjeshuis in een buitenwijk. Daan is intelligent, gevoelig en heeft een passie voor treinen. Daan kreeg zijn diagnose op 9-jarige leeftijd, na jaren van onbegrip op school en thuis. Sindsdien heeft hij verschillende vormen van hulp gehad: een socialevaardigheidstraining, ambulante begeleiding via de gemeente en kortdurende psychologische ondersteuning na een periode van schoolweigering.
Toen Daan op de middelbare school begon, liep hij opnieuw vast. De prikkels, het rooster, de wisselende docenten en het gebrek aan structuur zorgden voor overbelasting. Zijn moeder vroeg via het wijkteam een nieuwe indicatie aan. Daan kreeg een andere begeleider dan voorheen, en moest opnieuw zijn verhaal doen. De begeleiding startte pas na vier maanden, toen de situatie al ernstig verslechterd was.
Daan ervaart de hulpverlening als gefragmenteerd en onvoorspelbaar, terwijl hij juist veel behoefte heeft aan voorspelbaarheid, vaste gezichten en vertrouwen. Voor elk nieuw probleem moet zijn moeder een nieuwe aanvraag doen, met telkens andere hulpverleners en lange wachttijden. Bovendien voelt Daan zich vaak niet begrepen door de hulpverleners. De gesprekken gaan vooral over wat er ‘mis’ is met Daan, over zijn beperkingen en over wat hij moet leren of veranderen. Er is weinig aandacht voor wie Daan is, wat hem motiveert en belangrijk vindt. Hij sluit zich steeds meer af en ontwikkelt een negatief zelfbeeld (‘ik zit niet goed in elkaar, ik ben een mislukking’).
Ook zijn moeder voelt zich vaak niet gehoord in haar zoektocht naar wat haar zoon nodig heeft. In haar beleving is de hulpverlening te veel gericht op het ‘repareren’ van haar kind, in plaats van op het versterken van het gezin als geheel.
In dit artikel reageren wij op de reactie van Spruit en collega’s (TvO 5-2024) op ons eerdere artikel over uitdagingen bij het meten van gehechtheid. We zijn het met elkaar eens dat gehechtheid een complex concept is en dat het meten ervan uitdagingen met zich mee brengt. In tegenstelling tot Spruit en collega’s zijn wij echter van mening dat vragenlijsten niet geschikt zijn voor inzet in de screeningsfase. Doordat er nog veel onduidelijkheid is over de nauwkeurigheid van deze vragenlijsten en het risico van vals-positieven en vals-negatieven, kunnen vragenlijsten als screeners leiden tot verkeerde beslissingen voor het verlenen van de juiste zorg, vooral als hierbij gebruik wordt gemaakt van classificaties. Met de inzet van observaties van gehechtheids- en opvoedgedrag kunnen zowel positieve als negatieve aspecten van opvoedgedrag beter bespreekbaar gemaakt worden. Evenals Spruit en collega’s denken wij dat samenwerking tussen praktijkprofessionals en onderzoekers noodzakelijk is bij het ontwikkelen van instrumenten om gehechtheid te meten.
Spruit en collega’s (2024) reageerden op ons – eerder dat jaar verschenen – artikel ‘Meten is weten?’ in het Tijdschrift voor Orthopedagogiek over dilemma’s bij het in kaart brengen van gehechtheid in onderzoek en praktijk (Tharner et al., 2024). In hun reactie geven Spruit en collega’s een overzicht van de gehechtheidstheorie en benadrukken zij de complexiteit van het begrip gehechtheid en de uitdagingen die verbonden zijn aan de diagnostiek van gehechtheid in de praktijk. Wij zien veel overeenkomsten tussen de visie die wij presenteren in ons artikel (2024) en de reactie van Spruit en collega’s. Beide artikelen, onderschreven door een substantieel aantal vakgenoten, laten zien dat breed herkend en erkend wordt dat het meten van de kwaliteit van gehechtheidsrelaties uitdagingen met zich meebrengt. Uit de reactie van Spruit en collega’s (2024) blijkt echter ook dat onze visies verschillen over het gebruik van vragenlijsten voor het in kaart brengen van gehechtheid. Wij willen graag enkele belangrijke kanttekeningen plaatsen bij dit gebruik van vragenlijsten in het diagnostisch proces en bespreken mogelijke alternatieven voor vragenlijsten over de opvoeder-kindrelatie in het screeningproces.
De discussie hierover draagt hopelijk bij aan het maken van bewuste keuzes in het diagnostisch proces en (de ontwikkeling van) mogelijke oplossingen voor dilemma’s die er zijn rondom het meten van gehechtheid.
Effectieve interprofessionele samenwerking rond het kind vraagt om meer dan de juiste vaardigheden en motivatie. Dit artikel laat zien waar samenwerking tussen leerkrachten en pedagogisch professionals in integrale
kindcentra vaak stokt, ondanks de aanwezige vaardigheden en motivatie. Vanuit een hrm-perspectief wordt duidelijk dat het vooral aan professionele ruimte ontbreekt: gezamenlijke tijd, professionele autonomie, een inclusief organisatieklimaat en ondersteunend leiderschap zijn vaak niet structureel geborgd. Dit artikel biedt taal en focus om samenwerking in interprofessionele teams bespreekbaar te maken: waar ontbreekt tijd,
waar wringt gelijkwaardigheid, hoe benut je de complementariteit van disciplines, en welke rol speelt leiderschap? Een kader met reflectievragen helpt om eigen bijdragen en randvoorwaarden te spiegelen en vormt zo een realistisch vertrekpunt voor verbetering.
Rayan groeit op in een gezin dat afkomstig is uit Syrië. Hij is drie jaar oud wanneer zijn moeder hem voor het eerst naar de voorschoolse educatie (VVE) in het kindcentrum brengt. Op advies van het consultatiebureau neemt Rayan sinds kort deel aan vier halve dagen VVE, gefinancierd door de gemeente. Vooral zijn moeder moet erg wennen aan de situatie. De Nederlandse opvoedpraktijk verschilt op veel punten van wat zij gewend is. Voor haar voelt het alsof ze de controle deels uit handen geeft. Op de groep valt het pedagogisch professional Brenda op dat Rayan minder spreekt dan leeftijdsgenoten en moeite heeft met het begrijpen van wat er gezegd wordt. Dit leidt bij hem tot frustratie, terugtrekgedrag of kleine ongelukjes. Brenda herkent dit als signalen die kunnen duiden op een onderliggend probleem. Voor gezinnen met een vlucht- of migratieachtergrond kunnen naast taal- en cultuurverschillen ook ervaringen van stress of verlies uit het verleden een rol spelen. Dergelijke factoren kunnen, samen met de uitdagingen van opgroeien in een nieuwe omgeving, invloed hebben op de sociaal-emotionele ontwikkeling en het gedrag van kinderen.
Dit vraagt om extra sensitiviteit en interprofessionele samenwerking tussen professionals. Interprofessionele samenwerking tussen pedagogisch professionals, leerkrachten, de intern begeleider, orthopedagoog en mogelijke andere specialisten (zoals logopedisten) is om allerlei redenen steeds belangrijker geworden in een diverse en veranderende samenleving. Binnenkort wordt Rayan vier jaar en maakt hij de overstap naar de basisschool. Het kindcentrum hecht waarde aan een warme overdracht, maar loopt tegen praktische knelpunten aan: in de praktijk is het vaak onduidelijk wie het overzicht houdt en hoe expertise tussen professionals wordt gedeeld. Hierdoor kan de ondersteuning voor kinderen als Rayan versnipperd raken.
De jeugdzorg doorloopt een hervormingsagenda, die vraagt om integraal werken. Hoe pakt het werkveld dat aan? Jana Knot-Dickscheit en Lonneke Schuringa merken in Groningen hoe kennis en ervaring bij elkaar komen, maar signaleren ook zwakke plekken in het systeem – en in de ideeën daarachter.
Fysiek dichter bij elkaar, dichter bij kinderen en jongeren – dat was de gedachte achter de overheveling van jeugdzorg naar de gemeentes, zoals procesmanager Lonneke Schuringa even het geheugen opfrist: ‘Het idee was dat dan de lijnen korter zijn, dat het makkelijker is om aan te sluiten bij de leefwereld van jeugdigen. Zodat de jeugdzorg toegankelijker zou worden en er een verbeterslag zou komen.’ Ze vertelt erover in de kamer van universitair hoofddocent Jana Knot-Dickscheit aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze zitten naast elkaar achter één scherm in het online videogesprek – een bewijs dat gemeente en kennisinstituut elkaar fysiek weten te vinden. Het idee was ook, vertellen beiden, dat de jeugdzorg daarmee mogelijk efficiënter en goedkoper zou kunnen. Jana: ‘Door een systeemverandering, dus met nieuwe wetgeving en beleid – zo is ook telkens de gedachte – zouden opeens alle problemen zijn opgelost. En dat is natuurlijk niet zo.’
De transitie van de jeugdzorg naar de gemeentes is nu tien jaar geleden. Wat valt jullie op in hoe dat heeft uitgepakt?
Jana Knot-Dickscheit: ‘Als de problematiek rond een jeugdige omvangrijk is en meer vraagt, dan is het des te belangrijker dat toegang tot zorg en structuren goed geregeld zijn. Maar wanneer elke gemeente apart verantwoordelijk is, leidt dat soms tot versnippering van kennis en expertise. Ook zijn er aanbieders bij gekomen, in kleinere gemeentes, juist omdat het dichtbij georganiseerd moest zijn. Daardoor is deels het overzicht zoekgeraakt. En de jeugdzorg is zeker niet goedkoper geworden. Het jammere is ook dat er op voorhand al heel wat kritiek was op dit systeem. Veel voorspellingen zijn, helaas, uitgekomen.’
Lonneke Schuringa: ‘Het is ook mogelijk dat we nu cliënten bereiken die we eerder niet bereikten. Dat is aan de ene kant goed nieuws, maar het popt dan wel vaak nogal ongelukkig op in statistieken en cijfers, als het gaat om gebruik en kosten.’
De ambitie om integraal te werken met jeugdigen en gezinnen is groot, maar integraal werken blijkt geen eenvoudige opgave. Dit artikel, gebaseerd op onderzoek van het Landelijk Expertisenetwerk Integraal Werken met Jeugd en Gezin, belicht belangrijke thema’s, kennishiaten en vraagstukken voor praktijk, beleid en wetenschap. Integraal werken vraagt om gezamenlijke analyse, passende interprofessionele samenwerking en goed afgestemde organisatieprocessen. Het organiseren van integraal werken blijft kwetsbaar zolang dit leunt op tijdelijke projecten en bevlogen professionals. Structureel gezamenlijk monitoren en leren, met aandacht voor gedrag, cultuur en structuur, is noodzakelijk om duurzame en samenhangende ondersteuning voor jeugdigen en gezinnen mogelijk te maken.
Mentale problemen van jeugdigen staan meestal niet op zichzelf, maar gaan vaak samen met bijvoorbeeld psychische klachten van ouders, problemen op school, opvoedproblemen in het gezin of financiële zorgen. Het streven naar integraal werken is daarom een logische ontwikkeling. Om binnen de jeugdhulp passende en samenhangende hulp te kunnen bieden, moet een gezamenlijke (verklarende) analyse worden gemaakt, waarbij de verschillende levensgebieden en contexten van jeugdigen en gezinnen worden meegenomen.
Die gezamenlijke analyse is dan de basis voor een samenhangend ondersteuningsplan dat professionals van verschillende organisaties in staat moet stellen goed met elkaar samen te werken, om op deze manier met de jeugdige en het gezin samen het beoogde perspectief te bereiken.
Uit talloze inspectierapporten naar incidenten in de jeugdhulp, wetenschappelijke overzichtsstudies (zoals Nooteboom e.a., 2021 en Van Eck e.a., 2024), onze projecten en praktijkervaringen blijkt dat integraal samenwerken geen eenvoudige opgave is. Hoewel er al veel bekend is over wat goed en wat minder goed werkt in integraal werken, is de kennis versnipperd, richt onderzoek zich vaak op de lokale context en wordt met de onderzoeksresultaten onvoldoende gedaan in beleid en op de werkvloer.
Dit moet anders, dachten wij, onderzoekers die het initiatief hebben genomen tot het Landelijk Expertisenetwerk Integraal Werken met Jeugd en Gezin. In dit netwerk verbinden we ons, zodat we onze kennis en inzichten kunnen bundelen, verbreden en verdiepen, en richting kunnen geven aan het wetenschappelijk en maatschappelijk debat rondom integraal werken voor jeugd en gezin. Dit is belangrijk om te komen tot relevante inzichten die de praktijk echt vooruithelpen.
In Nederlandse kindcentra werken professionals uit de kinderopvang, het onderwijs en jeugdhulp/-zorg in toenemende mate samen, zoals bij de overgang van kinderopvang naar school (1), van school naar buitenschoolse opvang (2), bij kinderen met speciale zorgbehoeften (3), en aan geïntegreerd beleid (4). Deze nieuwe context vereist nieuwe instrumenten om de interprofessionele samenwerking te monitoren voor zowel onderzoek als praktijk. In deze studie presenteren we de achtergrond en ontwikkeling van de Kindcentrum-scan. Een landelijke validatiestudie onder 46 locaties en 788 professionals liet zien dat in de ontwikkelde scan twee schalen te onderscheiden zijn, en dat de scan een goede interne consistentie had. De verschillende items van de scan hangen met elkaar samen. De resultaten ondersteunden verder de convergente validiteit van het nieuwe instrument: de scores van de scan, verkregen op basis van interviews met de directeur en/of manager, hingen positief samen met de samenwerking van diverse collega’s met andere pedagogische professionals uit school, opvang en jeugdhulp/-zorg uit een analyse van professionele netwerken.
In verschillende landen is er, in beleid en praktijk, een tendens naar een meer geïntegreerd aanbod voor jonge kinderen en hun ouders. Deze trend is ingegeven door een groeiend besef dat het huidige aanbod voor gezinnen met jonge kinderen gefragmenteerd is, met een grote afstand tussen kinderopvang, onderwijs en jeugdzorg. Deze aanpak is gericht op het bevorderen van de brede ontwikkeling en het bevorderen van kansengelijkheid vanaf jonge leeftijd (EU Council, 2019; Lazzari et al., 2020). Pedagogische professionals in verschillende Europese landen, inclusief Nederland, verkennen de samenwerking met professionals met een andere disciplinaire achtergrond om samen (meer) pedagogische continuïteit en een geïntegreerd pedagogisch aanbod te creëren.
De integrale(re) aanpak moet bijdragen aan soepele overgangen van voorschoolse educatie naar school, inhoudelijke aansluiting tussen school en buitenschoolse opvang, passende arrangementen voor kinderen met speciale behoeften in een reguliere setting, en meer afstemming tussen de lokale spelers in de reguliere setting van opvang en basisschool, inclusief professionals uit de jeugdzorg/ hulp (EU Council, 2019; Nores & Fernandez, 2018; Ooms et al., 2025). De integratie van diensten uit kinderopvang, basisonderwijs en/of jeugdhulp/-zorg met interprofessionele samenwerking op lokaal niveau is een relatief nieuw fenomeen in verschillende landen en is niet vanzelfsprekend (Bryson et al., 2015; Ooms et al., 2025).