De jeugdzorg doorloopt een hervormingsagenda, die vraagt om integraal werken. Hoe pakt het werkveld dat aan? Jana Knot-Dickscheit en Lonneke Schuringa merken in Groningen hoe kennis en ervaring bij elkaar komen, maar signaleren ook zwakke plekken in het systeem – en in de ideeën daarachter.
Fysiek dichter bij elkaar, dichter bij kinderen en jongeren – dat was de gedachte achter de overheveling van jeugdzorg naar de gemeentes, zoals procesmanager Lonneke Schuringa even het geheugen opfrist: ‘Het idee was dat dan de lijnen korter zijn, dat het makkelijker is om aan te sluiten bij de leefwereld van jeugdigen. Zodat de jeugdzorg toegankelijker zou worden en er een verbeterslag zou komen.’ Ze vertelt erover in de kamer van universitair hoofddocent Jana Knot-Dickscheit aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze zitten naast elkaar achter één scherm in het online videogesprek – een bewijs dat gemeente en kennisinstituut elkaar fysiek weten te vinden. Het idee was ook, vertellen beiden, dat de jeugdzorg daarmee mogelijk efficiënter en goedkoper zou kunnen. Jana: ‘Door een systeemverandering, dus met nieuwe wetgeving en beleid – zo is ook telkens de gedachte – zouden opeens alle problemen zijn opgelost. En dat is natuurlijk niet zo.’
De transitie van de jeugdzorg naar de gemeentes is nu tien jaar geleden. Wat valt jullie op in hoe dat heeft uitgepakt?
Jana Knot-Dickscheit: ‘Als de problematiek rond een jeugdige omvangrijk is en meer vraagt, dan is het des te belangrijker dat toegang tot zorg en structuren goed geregeld zijn. Maar wanneer elke gemeente apart verantwoordelijk is, leidt dat soms tot versnippering van kennis en expertise. Ook zijn er aanbieders bij gekomen, in kleinere gemeentes, juist omdat het dichtbij georganiseerd moest zijn. Daardoor is deels het overzicht zoekgeraakt. En de jeugdzorg is zeker niet goedkoper geworden. Het jammere is ook dat er op voorhand al heel wat kritiek was op dit systeem. Veel voorspellingen zijn, helaas, uitgekomen.’
Lonneke Schuringa: ‘Het is ook mogelijk dat we nu cliënten bereiken die we eerder niet bereikten. Dat is aan de ene kant goed nieuws, maar het popt dan wel vaak nogal ongelukkig op in statistieken en cijfers, als het gaat om gebruik en kosten.’