Hoe kon een negentiende-eeuwse dorpsonderwijzer zich ontwikkelen tot een beroemd pedagoog én tot een multidisciplinair geleerde, met een indrukwekkende publicatielijst? Vanuit hedendaags perspectief lijkt dit al onbegrijpelijk, maar ook in zijn eigen tijd wekten Jan Geluks prestaties verbazing.
Je zou Jan Geluk (1835-1919) de ultieme illustratie kunnen noemen van het bekende gezegde ‘De kweekschool was de universiteit voor de armen’. Deze intellectueel begaafde Zeeuwse boerenzoon werd uiteindelijk hoofdonderwijzer in het Brabantse dorp Dinteloord. Naast zijn opleiding en werk ontwikkelde hij zich bovendien onvermoeibaar, geheel autodidactisch, op een veelheid aan gebieden. Hij publiceerde een handboekartikel over de filosofie van Kant, het leerboek De beginselen van natuur-en scheikunde in ruim honderd eenvoudige proeven, en een boek met Franse spreekoefeningen. Zijn bekendste werken lagen op pedagogisch gebied, zoals zijn Woordenboek voor opvoeding en onderwijs.
Zelf ontdekte ik Jan Geluk toen ik stuitte op een bijzonder erudiet artikel van zijn hand over het toen recent ontwikkelde onderzoeksgebied taalpathologie: ‘Over spraakgebreken in ’t algemeen en over aphasie in ’t bij zonder’, gepubliceerd in het taalkundig tijdschrift Noord en Zuid (1882). Toen ik probeerde te achterhalen wie de schrijver van dit artikel was, bleek tot mijn niet geringe verbazing dat het om een dorpsonderwijzer uit Dinteloord ging.
Hoe het begon
Jan Geluk werd geboren op een boerderij in de buurt van het dorpje Oud-Vossemeer op het eiland Tholen. De boerderij lag ver buiten de bewoonde wereld. Dat betekende dat Jan als kind nauwelijks naar school ging: ’s zomers moest hij helpen op het land en ’s winters waren de modderige polderwegen praktisch onbegaanbaar. Maar hij ging na gedane arbeid of in een wat stillere periode toch wel eens naar het dorp om les te krijgen van het schoolhoofd aldaar, meester Van den Andel. Te paard; dat kan dus niet op heel jonge leeftijd geweest zijn. Van den Andel had al snel door dat hij lesgaf aan een natuurtalent. Hij ging deze leerling daarom ook af en toe zelf thuis op de boerderij lesgeven.
Toen Jan 13 jaar was, zorgde Van den Andel dat hij op zijn school in Oud-Vossemeer kwekeling werd, ofwel hulponderwijzer. Hij stimuleerde hem om zich voor te bereiden op het onderwijzersexamen. Daarbij ging het in eerste instantie om het examen ‘vierde rang’, wat betekende: kunnen lezen, schrijven, rekenen en ‘enige aanleg hebben voor het geven van onderwijs’ (Dane, 2015, p. 54). Dit examen legde Jan op 16-jarige leeftijd met succes af in Zierikzee. Zijn eerste aanstelling als onderwijzer was in Sint-Maartensdijk. Daar klom hij via zelfstudie op tot onderwijzer eerste rang. Dat was een maar zelden bereikt niveau: je moest daarvoor onder andere kennis hebben van wis- en natuurkunde, en bovendien, zoals de Nederlandse onderwijswet van 1806 het formuleert, ‘in beschaafdheid van verstand uitmunten’.