PIP 145

PIP 145

Omschrijving

  • 06 Interview Annemiek Harder 
  • 12 Stijn Sieckelinck: Waarom jongeren ons steeds harder nodig hebben 
  • 18 Anne de la Croix : Parent Educators 
  • 24 Savannah Boele e.a.: Opgroeien in een wereld die alles bijhoudt 
  • 32 Annelieke van Dijk: Stoer van buiten, zoekend vanbinnen 
  • 41 Tess Schijvenaars en Geeske Strating: Aan tafel maar niet gehoord
  • 48 Els Elffers: Jan Geluk

En verder:
3 Redactioneel 
17 Mediamomenten 
23 Pedagogische kortsluiting 
29 In de jeugdhulp 
38 Muziek: Carlijn Hoogeveen 
46 Kinderrechten
53 Koops over onderzoek 
54 Warm aanbevolen 
59 Agenda + Volgende keer + Service
60 Opvoeden op school

Aan tafel maar niet gehoord

Aan tafel maar niet gehoord

Burgerberaden geven jongeren een serieuze plek in publieke besluitvorming. In hun praktijk bij EMMA zien Tess Schijvenaars en Geeske Strating echter tegelijkertijd hoe snel de inbreng van jongeren in gesprek en advisering naar de achtergrond kan schuiven. Hoe komt dat, en wat vraagt dit van gemeenten, begeleiders en andere professionals die burgerberaden organiseren?

Een jongere komt wat afwachtend de zaal binnen voor de eerste bijeenkomst van een burgerberaad. Telefoon in de hand, zoekend naar een plek waar het veilig voelt om te gaan zitten. Aan tafel volgen de eerste kennismakingsrondes. De jongere vertelt voorzichtig dat zijn ouders thuis beslissen over afvalscheiding. Een andere deelnemer reageert direct: ‘Dat verandert vanzelf als je straks op jezelf woont.’ Er wordt even gelachen en het gesprek gaat verder. Niemand vraagt door.
Het lijkt een onschuldig moment, maar het laat zien hoe snel ervaringen van jongeren naar de achtergrond kunnen verdwijnen. Het is niet dat jongeren niet aanwezig zijn, maar de stemmen en bij dragen van jongeren klinken onvoldoende door in de gesprekken.

Burgerberaden geven jongeren steeds vaker een plek in publieke besluitvorming. Dat is belangrijk, want veel van de onderwerpen die in burgerberaden worden besproken, zoals wonen, klimaat, veiligheid of werk, raken direct aan hun toekomst. Vanuit ons werk bij EMMA begeleiden en onderzoeken wij burgerberaden in het hele land. Daar zien wij hoe waardevol deze vorm van democratische vernieuwing kan zijn, maar ook hoe kwetsbaar jongereninvloed in de praktijk blijft.
In dit artikel laten we aan de hand van drie voorbeelden zien waar het schuurt, maar ook wat helpt om de stem van jongeren beter te laten meewegen in burgerberaden en vergelijkbare participatieprocessen.

Hoe werkt een burgerberaad?
Een burgerberaad is een democratisch proces waarin een gelote groep inwoners advies geeft over een maatschappelijk vraagstuk. Deelnemers krijgen informatie van experts en ervaringsdeskundigen, gaan met elkaar in gesprek en formuleren gezamenlijk aanbevelingen voor politiek of bestuur. Burgerberaden worden meestal georganiseerd door lokale en regionale overheden, zoals gemeenten en provincies. Gemeenteraad, college of Provinciale Staten besluiten waarover er een beraad komt en welk mandaat het krijgt. Ambtelijke projectteams ontwerpen en organiseren het proces, vaak samen met externe bureaus, voorzitters en gespreksbegeleiders.

Burgerberaden brengen mensen met verschillende belangen, ervaringen en leefwerelden samen. Deelnemers worden meestal geselecteerd via gewogen loting, zodat de groep een afspiegeling vormt van de bevolking, bijvoorbeeld naar leeftijd, gender, opleiding en woongebied. Vaak gebeurt die loting vanaf 16 jaar, soms wordt er bewust voor gekozen om ook jongere deelnemers toe te laten als het onderwerp hen direct raakt. Het afspiegelingsbeginsel brengt ook een uitdaging met zich mee. Jongeren vormen meestal een kleine groep binnen een burgerberaad. Daardoor is het niet vanzelfsprekend dat hun ideeën terugkomen in de uiteindelijke adviezen. Vooral aanbevelingen die specifiek aansluiten bij de leefwereld van jongeren krijgen niet altijd voldoende steun van andere deelnemers.

Meer info
3,95
Biografie - Jan Geluk (1835-1919)

Biografie - Jan Geluk (1835-1919)

Hoe kon een negentiende-eeuwse dorpsonderwijzer zich ontwikkelen tot een beroemd pedagoog én tot een multidisciplinair geleerde, met een indrukwekkende publicatielijst? Vanuit hedendaags perspectief lijkt dit al onbegrijpelijk, maar ook in zijn eigen tijd wekten Jan Geluks prestaties verbazing.

Je zou Jan Geluk (1835-1919) de ultieme illustratie kunnen noemen van het bekende gezegde ‘De kweekschool was de universiteit voor de armen’. Deze intellectueel begaafde Zeeuwse boerenzoon werd uiteindelijk hoofdonderwijzer in het Brabantse dorp Dinteloord. Naast zijn opleiding en werk ontwikkelde hij zich bovendien onvermoeibaar, geheel autodidactisch, op een veelheid aan gebieden. Hij publiceerde een handboekartikel over de filosofie van Kant, het leerboek De beginselen van natuur-en scheikunde in ruim honderd eenvoudige proeven, en een boek met Franse spreekoefeningen. Zijn bekendste werken lagen op pedagogisch gebied, zoals zijn Woordenboek voor opvoeding en onderwijs.

Zelf ontdekte ik Jan Geluk toen ik stuitte op een bijzonder erudiet artikel van zijn hand over het toen recent ontwikkelde onderzoeksgebied taalpathologie: ‘Over spraakgebreken in ’t algemeen en over aphasie in ’t bij zonder’, gepubliceerd in het taalkundig tijdschrift Noord en Zuid (1882). Toen ik probeerde te achterhalen wie de schrijver van dit artikel was, bleek tot mijn niet geringe verbazing dat het om een dorpsonderwijzer uit Dinteloord ging.

Hoe het begon
Jan Geluk werd geboren op een boerderij in de buurt van het dorpje Oud-Vossemeer op het eiland Tholen. De boerderij lag ver buiten de bewoonde wereld. Dat betekende dat Jan als kind nauwelijks naar school ging: ’s zomers moest hij helpen op het land en ’s winters waren de modderige polderwegen praktisch onbegaanbaar. Maar hij ging na gedane arbeid of in een wat stillere periode toch wel eens naar het dorp om les te krijgen van het schoolhoofd aldaar, meester Van den Andel. Te paard; dat kan dus niet op heel jonge leeftijd geweest zijn. Van den Andel had al snel door dat hij lesgaf aan een natuurtalent. Hij ging deze leerling daarom ook af en toe zelf thuis op de boerderij lesgeven.

Toen Jan 13 jaar was, zorgde Van den Andel dat hij op zijn school in Oud-Vossemeer kwekeling werd, ofwel hulponderwijzer. Hij stimuleerde hem om zich voor te bereiden op het onderwijzersexamen. Daarbij ging het in eerste instantie om het examen ‘vierde rang’, wat betekende: kunnen lezen, schrijven, rekenen en ‘enige aanleg hebben voor het geven van onderwijs’ (Dane, 2015, p. 54). Dit examen legde Jan op 16-jarige leeftijd met succes af in Zierikzee. Zijn eerste aanstelling als onderwijzer was in Sint-Maartensdijk. Daar klom hij via zelfstudie op tot onderwijzer eerste rang. Dat was een maar zelden bereikt niveau: je moest daarvoor onder andere kennis hebben van wis- en natuurkunde, en bovendien, zoals de Nederlandse onderwijswet van 1806 het formuleert, ‘in beschaafdheid van verstand uitmunten’.

Meer info
3,95
De kracht van ervaringskennis

De kracht van ervaringskennis

Wie met kinderen werkt, werkt ook met ouders. Maar worden pedagogen wel goed opgeleid om écht te luisteren naar het verhaal van ouders en gezinnen? In het project Parent Educators stappen ouders van kinderen met een intensieve zorgvraag de collegezaal in. Deze Parent Educators gaan met studenten in gesprek over ervaringen, emoties en dilemma’s rondom de zorg voor hun kind. Als studenten niet een casus op papier lezen maar een mens ontmoeten, maken we mooie stappen in het benadrukken van het relationele aspect van zorg én onderwijs.

Een lokaal van een grote universiteit, waar een les gespreksvaardigheden plaatsvindt met twaalf eerstejaarsstudenten pedagogiek en een tutor. Er is een gast in de zaal aanwezig: de moeder van een 8-jarige zoon met een ernstige verstandelijke beperking. De studenten hebben vragen voorbereid voor deze moeder. Een student neemt de beurt en stelt de vraag: ‘Vergelijkt u uw zoon weleens met andere kinderen?’ De moeder is even stil. Ze zucht. Dan komen er tranen in haar ogen. Een schokgolf gaat door de groep studenten. Stilte. De student stottert, wiebelt, kijkt naar haar blaadje – en zegt: ‘Oh sorry, ik zoek snel even een leukere vraag op.’ Het hiervoor beschreven onderwijsmoment vond plaats in het eerste jaar dat we aan de Vrije Universiteit in Amsterdam werkten met Parent Educators: ouders van kinderen met intensieve zorgvragen die meedraaien in het onderwijs aan toekomstig pedagogen.

De schokgolf die voelbaar was in deze groep, bleek daarna een belangrijk leermoment voor alle studenten. Juist omdat alle studenten de emotie in de ruimte konden voelen, kon de tutor het gesprek openen over emoties en empathie. De groep kon de tanden zetten in vraagstukken als: waarom schrokken we allemaal zo toen we tranen zagen? Hoe reageer ik eigenlijk als een van mijn vrienden huilt? Wanneer huil ik zelf en wat heb ik dan nodig? De kers op de taart was de bijdrage van de moeder zelf, die kon vertellen waarom de vraag haar zo raakte: ze had nieuwe buren met óók een zoontje van 8 jaar, waardoor ze veel aan het vergelijken was en weer enorm duidelijk werd wat haar eigen zoon allemaal níet kon. Een voorbeeld van levend verlies (Raap et al., 2025). Niemand had haar ooit hiernaar gevraagd en ze was opgelucht dat ze zojuist de ruimte kreeg om deze ingewikkelde gevoelens te bespreken. Samen hadden tutor, studenten én de moeder het over het gesprek en over wat nodig was geweest: geduld, aandacht, presentie, acceptatie van de emotie. We gingen een halfuur over de tijd. Niemand klaagde of vertrok. Aan het eind kwamen de studenten allemaal langs bij de moeder om haar te bedanken.

Ouders en hun ervaringen als rijke leerbron 
Het idee voor Parent Educators ontstond in 2018, toen ik, als moeder van een zoon met zeer ernstige verstandelijke en meervoudige beperkingen (ZEVMB) duidelijk zag wat er miste in het onderwijs voor zorgprofessionals. Ik merkte dat professionals vaak geen gebruik maakten van mijn groeiende expertise als zorgmoeder. Ik voelde me vaak eenzaam in gesprekken met pedagogen, therapeuten en artsen. Als docent aan de opleiding geneeskunde merkte ik dat het indruk maakte als ik dit met studenten besprak. Dat stimuleerde studenten om anders na te denken over bijvoorbeeld empathie, verder dan een ingestudeerd ‘wat moeilijk voor u’ (De la Croix, 2022). Menselijkheid en menselijke verhalen toevoegen aan de opleiding voor zorgverleners, dat werd mijn missie en de essentie van de onderwijssessies met Parent Educators.

Meer info
3,95
In de jeugdhulp

In de jeugdhulp

Mensen zijn thuis meer zichzelf, laten meer zien en je merkt ook wat er naast de hulpvraag nog meer speelt. En daar schrik ik oprecht nog weleens van. De afgelopen maanden kom ik bij een gezin met twee jonge kinderen van vier en twee jaar. De nette, verzorgde voortuin laat keurig bij gehouden bloemenperken zien.
Binnen lijkt het op het eerste gezicht ook opgeruimd. Moeder neemt me al snel in vertrouwen en vertelt dat ze het huishouden niet kan bolwerken. Dat zij en haar man vlak voor er mensen langskomen even opruimen. Ik zie een aanrecht dat vol staat en overal in de keuken ligt vuilnis. Dan kijk ik in de achtertuin: het gras ligt bezaaid met hondendrollen!

‘De kinderen komen daar niet’, zegt ze.
‘Nee’, zeg ik, ‘dat kan ook niet.’
‘Het lukt me vaak niet om de honden uit te laten’, verzucht ze vervolgens.
Dan vraagt ze of ik boven even wil kijken. Natuurlijk wil ik dat. Op de overloop en in de slaapkamers ligt overal kleding. Er staan manden en kratten vol. Schoon of vies? Dat weet ze niet meer. Alles zit door elkaar. Ze doet de was nog wel, maar het opruimen lukt niet.

‘Met mijn ADHD-hoofd kan ik het gewoon niet meer bij benen’, fluistert ze. In de wasmachine zit een natte was die er al drie dagen in ligt. Die mag dus nog een keer aan. Op een post-it schrijf ik voor haar de stappen op die die dag nodig zijn om de was weer op gang te brengen. Samen ruimen we een deel van de kinderkamers op. Soms vraag je je af hoe het zo ver kan komen. Hoe het avond na avond nog nét lukt om eten op tafel te zetten, maar niet meer om de borden af te schrapen. Hoe etensresten zich vervolgens dagenlang opstapelen op het aanrecht.

En ondertussen lopen kinderen daar tussendoor. Net als de huisdieren. Natuurlijk, een rommelig huis alleen zegt niet alles. Als kinderen liefde, aandacht en duidelijkheid krijgen, hoeft dat op zichzelf geen ramp te zijn. Maar het is wel een signaal. Een teken dat ouders overvraagd zijn en dat er iets onder ligt wat aandacht verdient.

Eerlijk gezegd vind ik dat orde brengen in de chaos, naast de gesprekken over opvoeding, ook heel waardevol om te doen. Het is concreet en praktisch. Je bent samen iets aan het oplossen en het creëert ruimte om het over hun vragen te kunnen hebben. Tegelijkertijd is het duidelijk dat hier meer nodig is. Daarom vraag ik aanvullende ondersteuning aan via de Wmo, zodat ouders kunnen leren hoe ze meer structuur kunnen aanbrengen en die ook kunnen vasthouden.
 
Dit gezin wil aan de buitenwereld laten zien dat het goed gaat: op het eerste gezicht lijkt er niets aan de hand.

Maar gelukkig komen wij achter de voordeur. Want juist daar liggen vaak zowel het probleem als de oplossing zichtbaar voor je neus.

Meer info
Gratis
Interview - Annemiek Harder

Interview - Annemiek Harder

Annemiek Harder is verbonden aan de vakgroep Pedagogische Wetenschappen van de Rotterdamse Erasmus Universiteit. Ze is daar bijzonder hoogleraar op de Horizon-leerstoel Wetenschappelijk onderbouwde jeugdhulp en onderwijs. In haar onderzoek concentreert ze zich op jongeren en gezinnen in kwetsbare omstandigheden. In gesprek met Daphne Clement en Bob Horjus pleit ze ervoor om niet alle gedrag van jongeren te problematiseren. Ze stelt dat het belangrijk is om oog te houden voor de gewone ontwikkeling, zodat jeugdhulp zich kan richten op de kinderen en jongeren die het echt nodig hebben.

Waar houd jij je in je werk zoal mee bezig?
Ik richt me in mijn werk op de vraag: wat werkt voor wie, wanneer en waarom? Ik onderzoek vooral interventies voor jongeren die het thuis niet zo goed hebben en waarbij een risico speelt op uithuisplaatsing, en voor jongeren die uit huis geplaatst zijn. Dus situaties waar echt wel wat problemen zijn. Ik werk in het kader van de leerstoel samen met IHUB: een organisatie voor jeugdhulp en speciaal onderwijs. Daarnaast ben ik bestuurslid van de Nederlandse Vereniging voor Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO). 

Je zet je sinds het afronden van je studie al in voor jongeren in kwetsbare situaties. Wat maakt je hierin zo vastberaden?
Ik ben oorspronkelijk psycholoog, geen pedagoog. Na mijn studie wilde ik eigenlijk het liefst als GZ-psycholoog aan de slag in de hulpverlening. Maar ik ging al snel de onderzoekskant op. Ik zag in de gesloten jeugdzorg dat jongeren door geweld of mishandeling in de thuissituatie een slechte start in het leven hebben. Ik stelde mezelf de vraag: hoe kun je jongeren die uit een wat minder fortuinlijke situatie komen door begeleiding een betere kans bieden? Vaak ziet de samenleving deze jongeren als lastig. Sommige mensen hebben deze jongeren zelfs liever niet in de maatschappij . ‘Die moet je gewoon opsluiten’, wordt soms gezegd, omdat deze jongeren een gevaar kunnen zijn voor zichzelf of hun omgeving. Maar ik denk dat het mensen zijn zoals jij en ik. Alleen hebben deze jongeren niet het geluk gehad in een omgeving op te groeien die hen positief heeft gestimuleerd. Daarom verdienen deze jongeren sowieso een tweede en een derde kans.

Dat klinkt alsof je niet alleen voor jongeren in moeilijke situaties van betekenis wilt zijn, maar ook uit bent op begrip vanuit de maatschappij voor hen.
Ik denk dat de maatschappij vaak te veel kijkt naar risico’s en problemen. Wat gaat er nu allemaal mis? Met het idee dat het allemaal perfect moet gaan. Of: we moeten dit ‘bij stellen’. Maar ik denk dat problemen bij de gewone en gezonde ontwikkeling horen. Zeker bij jongeren in de jeugdzorg zie je dat afwijkend gedrag snel als probleem wordt gezien. Terwijl pubers juist moeten kunnen experimenteren, fouten maken en grenzen opzoeken. Daar moeten we minder krampachtig mee omgaan. Gedrag van jongeren in de jeugdzorg komt niet zomaar ergens vandaan: dat gedrag heeft vaak een functie. 
Maar ik zie dat er weinig tolerantie is voor afwijkend gedrag. Ik zie bij voorbeeld ook dat jongeren uit de gesloten jeugdzorg vaak moeilijk toegang krijgen tot regulier onderwijs, omdat scholen hen ingewikkeld vinden. Terwijl scholen en gemeenten ook een verantwoordelijkheid en plicht hebben om in deze jongeren te investeren.

Meer info
3,95
Kinderrechten

Kinderrechten

Nederland heeft op 8 maart 1995 het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) ondertekend. Dat betekent dat Nederland zich moet inzetten om deze rechten na te leven. De VN heeft het Kinderrechtencomité opgericht om toezicht te houden op naleving van het IVRK. Iedere vijf jaar moet Nederland rapporteren hoe het hiermee staat. Naar aanleiding daarvan stelt het comité aanbevelingen op – Concluding Observations and recommendations – die benoemen men welke rechten in Nederland geschonden of beter nageleefd dienen te worden.

Het Kinderrechtencomité heeft op 9 maart 2022 de staat teruggegeven zich zorgen te maken dat kinderen niet automatisch een wettelijke vertegenwoordiger toegewezen krijgen bij bepaalde ‘kleine vergrijpen’. Het gebruik van voorlopige hechtenis moet voorkomen en beperkt worden door ervoor te zorgen dat kinderen die zijn aangehouden en beroofd van hun vrijheid zo snel mogelijk voor een competente autoriteit kunnen verschijnen om na te gaan of de vrijheidsberoving of het voortduren ervan overeenkomstig de wet is. Daarnaast moet het gebruik van vrijheidsberoving gemonitord worden om er zeker van te zijn dat die alleen gebruikt wordt als een laatste redmiddel, zo kort mogelijk en dat regelmatig gecheckt wordt of deze beëindigd kan worden. De maatregelen inzake het geven van begeleiding aan alle relevante personen met gezag moeten verbeterd worden, om het belang van het kind op elk gebied te garanderen en ervoor te zorgen dat het belang van het kind in alle beslissingen altijd een eerste overweging vormt.

‘Sinds ik 12 ben, word ik al aangehouden en zit ik op het politiebureau. De eerste keer ging ik zwartrijden in de tram, toen werden we aangehouden en meegenomen. Ik had mijn ID niet bij mij, ik zei dat ik 12 jaar was en dat dit überhaupt niet eens nodig was. Maar ze vonden het toch nodig om mij mee te nemen. Ik werd niet geloofd. Ik schrok daarvan, ik ben 12 jaar en je weet niet wat je meemaakt. Ik werd toen in een cel gegooid voor een uurtje of vier. Er was niets in die cel, je kreeg ook niets te eten of te drinken.

Meer info
3,95
Muziek: Carlijn Hoogeveen

Muziek: Carlijn Hoogeveen

Carlijn Hoogeveen was een van de dagvoorzitters van het congres van de Vereniging tot Bevordering van de Studie Pedagogiek (VBSP) in oktober 2025. De zaal was onder de indruk van de manier waarop ze haar ervaringen in de jeugdzorg, zowel in een lied als tijdens diverse discussies, inzette. De redactie heeft haar daarom gevraagd wat teksten in Pedagogiek in Praktij k te delen en zichzelf kort te introduceren.

Mijn naam is Carlijn Hoogeveen en ik heb me lang afgevraagd wat ik daarna zou moeten zeggen. Jarenlang beschouwden ik en mijn hulpverlenende omgeving mij immers voornamelijk als depressief, suïcidaal en ‘complex’. Inmiddels heb ik van mijn kwetsbare verleden mijn kracht gemaakt en werk ik als ervaringsdeskundige theatermaker en singer-songwriter. Via uitvoerende kunsten belicht ik de stem van jongeren waar deze vaak onbelicht is: op congressen, evenementen en in het theater.

Jarenlang zocht ik naar een nieuwe identiteit naast ‘ziek’. Wat begon als een passie en grote dromen, mag ik nu mijn werk noemen. Met dank aan een muziektherapeut die mij zag als persoon en niet als probleem, en die een vuurtje in mij aanwakkerde. Het was hard werken om uit dat diepe dal te klimmen, maar na vijftien opnames in klinieken, gesloten jeugdzorg en ziekenhuizen, maakte ik met de komst van een hulphond de keuze om te blijven leven. Maar als ik dat dan zou doen, moest ik het ook goed doen, dacht ik.

Ik trok de stoute schoenen aan en deed auditie bij een theateropleiding, waar ik werd aangenomen en inmiddels ben afgestudeerd als interdisciplinair musicalperformer. Mijn grote dromen en harde werk brengen me op veel plekken. Zo heb ik drie avondvullende muziektheatervoorstellingen op mijn naam staan en werk ik hard aan de volgende. De voorstellingen hebben één ding gemeen: ze belichten ingewikkelde thema’s rondom mentale gezondheid, kaarten gebreken in de jeugdhulp aan en creëren wederzijds begrip tussen professionals, jongeren en naasten. Zo kreeg ik na een voorstelling ooit de reactie van een jongere: ‘Ik heb voor het eerst een diepgaand gesprek met mijn moeder gehad over hoe het echt met me gaat, dat hadden we nog nooit eerder gehad.’ Zo’n reactie is de reden waarom ik dit werk doe. Het geeft zingeving; een gevoel dat ik lang niet kende.

In dit tijdschrift deel ik twee van mijn songteksten. Het nummer Onverstaanbaar schreef ik jaren geleden, toen ik me ontzettend onzichtbaar en ongehoord voelde. Inmiddels gaat het goed met mij en daarom deel ik ook het nummer Ik Adem Nu Leven. De titel zegt het al: het leven gaat me nu goed af. Het is niet altijd even makkelijk, met de rugzak die ik draag, maar ik voel nu dat ik het aankan. Hopelijk kan mijn werk je hoop bieden en raken. En als ik je een tip mag geven: werk met je hart en zie iemand naast alle diagnoses. Dat is zó belangrijk. 

Carlijn

Meer info
Gratis
Opgroeien in een wereld die alles bijhoudt

Opgroeien in een wereld die alles bijhoudt

De dertienjarige Sanne fietst vanuit school naar huis. Haar moeder weet al dat ze onderweg is, dat ze een onvoldoende heeft gehaald voor wiskunde en dat ze iets heeft gekocht bij de kantine. Niet omdat Sanne het vertelde, maar via een locatieapp, het leerlingvolgsysteem en de online bankieren-app. Voor steeds meer Nederlandse gezinnen is dit de dagelijkse realiteit. Wat betekent dat voor opgroeiende kinderen en hun ouders?

De manier waarop ouders informatie krijgen over de fysieke leefwereld van hun kind is in korte tijd flink veranderd. Voordat opvoeding digitaliseerde, wisten ouders niet wat hun kind buiten hun zicht deed – totdat het kind het zelf vertelde of ze het via via te weten kwamen. Was die onwetendheid een gemis? Of gaf het ruimte en rust? Tegenwoordig stroomt informatie automatisch door naar ouders: real-timelocatie, de nieuwste cijfers en een overzicht van uitgaven. Dit levert veel directe en nauwkeurige kennis op, maar deze kennis heeft ook een keerzijde: de context ontbreekt en het kind weet niet dat er meegekeken wordt. Als auteurs van dit artikel deden we alle drie recent onderzoek naar digitale surveillance in de fysieke leefwereld. Onze onderzoeken laten zien wat deze verschuiving betekent voor kinderen, ouders en professionals.

Surveillance groeit mee
De afgelopen jaren zijn zowel de mogelijkheden als de inzet van digitale surveillance sterk gegroeid. Interviews met schoolgaande kinderen en ouders laten zien hoe bij voorbeeld locatietracking is verschoven: waar ouders in 2021 vaak pas begonnen met volgen via een smartphoneapp bij de overgang naar de middelbare school (Mols et al., 2023), starten ouders tegenwoordig met een gpshorloge zodra kinderen alleen gaan buitenspelen. De markt voor dit soort horloges is sterk gegroeid en daarmee lijkt het aanbod van laagdrempelige technologie op de markt gebracht om kinderen veilig te houden, zelf een vraag te creëren. Anouk Mols nam interviews af over locatietracking in 2021 als onderdeel van haar promotieonderzoek aan Erasmus Universiteit over hoe mensen in hun dagelijks leven omgaan met surveillance. In 2026 deed Mols verkennend vervolgonderzoek vanuit Hogeschool Utrecht op basis van een kwalitatieve enquête onder ouders en een co creatieactiviteit in groep 8.

Veiligheid blijkt niet de voornaamste motivatie voor de ouders in dit onderzoek om de locatie van hun kind te volgen. Zowel in 2021 als in 2026 noemen ouders geruststelling en gemak als belangrijkste redenen. Ouders die de locatie van hun kind juist níet volgen, noemen vertrouwen en vrijheid als voornaamste redenen.

Leerlingen in groep 8 benoemen als voordeel van digitale surveillance dat ouders kunnen ingrijpen als je verdwaald bent of hulp nodig hebt. Zij zien als nadelen: minder vrijheid, altijd zichtbaar zijn en het gevoel dat ouders blijven kijken, zelfs als je al verteld hebt waar je bent. Hoe gingen ze om met de nadelen? Slechts enkele leerlingen gingen met hun ouders in gesprek. De meerderheid noemde vooral manieren om ouders te misleiden (bij voorbeeld een oude telefoon achterlaten met een actieve locatie of de telefoon van ouders blokkeren). Meer surveillance leidt dan niet tot meer inzicht bij ouders maar juist tot minder.

Meer info
3,95
Pedagogische kortsluiting

Pedagogische kortsluiting

‘Ik had er buikpijn van’, vertelt een jeugdhulpverlener mij. ‘De situatie van deze moeder en haar kinderen scoorde superhoog op het risicotaxatie-instrument. En op basis van het veiligheidsprotocol werd ingeschat dat het te onveilig was om thuis te blijven. Maar moeder was doodsbang voor de noodopvang. Ze was daar eerder geweest en dat was traumatisch. Ze smeekte me er niet naartoe te hoeven. Wat kon ik doen?’

Wat doe je als regels, protocollen en instrumenten niet goed passen bij de situatie van een gezin? De regels zijn er niet voor niets. Ze zijn bijvoorbeeld gebaseerd op kennis over veiligheid, kwaliteit van hulp, doelmatigheid of het voorkomen van willekeur. Toch sluiten ze niet altijd aan bij wat in een specifieke situatie nodig is. System says no. Wat dan? 

Dit soort systeemspanning is ongemakkelijk. Allereerst voor jongeren en gezinnen. Hoewel de spanning zich in alle lagen van de jeugdhulp voordoet, komt die uiteindelijk vaak bij hen terecht. Terwijl juist zij in deze situaties meestal weinig invloed hebben op wat er wordt besloten. Maar ook voor professionals is het ingewikkeld. Zij voelen dat het anders moet, terwijl onzeker blijft hoe een andere aanpak uitpakt. Want wat als het misgaat? De professional uit het voorbeeld besloot samen met een collega van een andere organisatie het gesprek met de moeder aan te gaan. In dat gesprek ontstond een alternatief: een familielid zou tijdelijk bij moeder en kind intrekken. Nog steeds spannend, maar voor dit gezin werkte het.

De spanning tussen wat nodig is en wat mogelijk is, hoort bij het werken in de jeugdhulp. En veel professionals leren individueel met dit soort situaties omgaan. Ze leren al doende wat wel en niet werkt. Maar die kennis is persoonsgebonden en blijft vaak versnipperd, terwijl het omgaan met systeemspanning geen individueel probleem is. Het is een structureel onderdeel van het jeugdhulpsysteem. Daarom is het belangrij k dat de kennis en ervaring wordt gebruikt om het systeem te verbeteren, en om regels en werkwijzen aan te passen.

Jeugdhulporganisaties hebben hierin een belangrijke rol. Dat begint met ruimte maken voor twijfel. Het betekent ook: gezamenlijk staan voor moeilijke beslissingen. Een leidinggevende vertelde me dat ze verschillende keren het gesprek aanging met de gemeente en zo de professionals en het gezin ondersteunde in het besluit om het anders te doen: ‘Regels zijn er met een bedoeling. Maar in sommige situaties kan de regel nooit de bedoeling zijn geweest. Dan moeten we zoeken naar een andere oplossing. En als we aan anderen moeten uitleggen waarom we ons niet aan de regel hebben gehouden, dan doen we dat.’

Meer info
Gratis
PIP 145 - complete editie

PIP 145 - complete editie

  • 06 Interview Annemiek Harder 
  • 12 Stijn Sieckelinck: Waarom jongeren ons steeds harder nodig hebben 
  • 18 Anne de la Croix : Parent Educators 
  • 24 Savannah Boele e.a.: Opgroeien in een wereld die alles bijhoudt 
  • 32 Annelieke van Dijk: Stoer van buiten, zoekend vanbinnen 
  • 41 Tess Schijvenaars en Geeske Strating: Aan tafel maar niet gehoord
  • 48 Els Elffers: Jan Geluk

En verder:
3 Redactioneel 
17 Mediamomenten 
23 Pedagogische kortsluiting 
29 In de jeugdhulp 
38 Muziek: Carlijn Hoogeveen 
46 Kinderrechten
53 Koops over onderzoek 
54 Warm aanbevolen 
59 Agenda + Volgende keer + Service
60 Opvoeden op school

Meer info
17,95
Stoer van buiten, zoekend vanbinnen

Stoer van buiten, zoekend vanbinnen

Veel jongens worstelen met de vraag wat het betekent om een man te zijn. Er bestaan veel zorgen over de antwoorden die zij online vinden, maar is het rigide beeld van mannelijkheid dat online influencers propageren niet een breder maatschappelijk vraagstuk? In dit artikel wordt samen met jongerenwerkers gereflecteerd op de rol van status, straatcultuur en maatschappelijke verwachtingen. Wat zien zij in de praktijk? En hoe kan het jongerenwerk jongens ondersteunen in hun zoektocht naar een mannelijke identiteit?

Een jongen van zeventien schuift zijn telefoon opzij . Op het scherm een short van Andrew Tate. ‘Ik weet heus wel dat hij foute dingen zegt, maar hij zegt ook dingen die kloppen. Dat je hard moet werken. Dat je niet op moet geven. En dat je voor je familie moet zorgen. Dat wil ik ook.’ Het is een scène die jongerenwerkers herkennen. Niet een jongen die klakkeloos slikt wat een influencer verkondigt, maar een jongen die zoekende is: naar richting, bevestiging, een voorbeeld. Bij gebrek aan ruimte om daarover te praten zoekt hij zijn toevlucht bij online content uit de manosfeer. Content die houvast biedt in een tijd die sneller lijkt te veranderen dan ooit. Een tijd die schijnbaar eindeloze mogelijkheden biedt, maar ook tot verwarring leidt.

Vernieuwde hang naar traditie
Het zoekproces naar volwassenheid en de verwarring die jongeren daarbij ervaren, is niet nieuw, maar lijkt wel een vernieuwde hang naar traditie en conservatieve denkbeelden met zich mee te brengen. Uit recent Europees onderzoek (EIGE, 2025) blijkt de trend dat oudere mannen minder progressieve en gendergelijke opvattingen hebben, te zijn omgedraaid: jonge Europese mannen blijken meer stereotiepe ideeën over vrouwen te hebben dan oudere mannen. Ook praten zij vaker geweld tegen vrouwen goed. 
Onlangs bleek uit onderzoek in opdracht van School & Veiligheid dat veel Nederlandse onderwijsprofessionals een groeiende groepsdruk onder jongens ervaren om zich volgens deze stereotiepe ideeën ‘mannelijk’ te gedragen (Van Werkhoven & Eulderink, 2026). Over de praktijkervaringen van jongerenwerkers is nog minder bekend. We gaan in gesprek met vier jongerenwerkers die het pedagogisch programma Young Leaders inzetten om jongeren te ondersteunen bij hun zoektocht naar hun identiteit en hun toekomstige plek in de wereld. Samen verkennen we de aantrekkingskracht van rigide mannelijkheidsbeelden en de onderliggende zoektocht naar een identiteit waar je eigenwaarde uit kunt halen. Hoe kunnen we jongens op een positieve manier ondersteunen in hun identiteitsvorming en de plek die hun man-zijn daarin kan krijgen?

Kracht versus kwetsbaarheid
Jongerenwerkers signaleren dat het voor jongens niet eenvoudig is om hun weg naar de toekomst te vinden. Ze krijgen tegenstrijdige boodschappen mee uit onze samenleving. Enerzijds een traditioneel beeld: de man als harde werker, als hoofd van het gezin, iemand die nooit twijfelt. Anderzijds worden zij geconfronteerd met een wereld die vraagt om zachtheid, openheid en meer gelijkheid tussen man en vrouw. Jongens pendelen dagelijks tussen die twee werelden. Op school worden ze aangemoedigd om te praten over hun gevoelens; online of op straat kan datzelfde gesprek als zwak worden beschouwd. Djoeke Ardon (Movisie, 2026), gespecialiseerd in gendergerelateerd geweld en de manosfeer, schetst hoe jongens gevangen zitten in wat zij de ‘box van mannelijkheid’ noemt: een strak omlijnd verwachtingspatroon dat geen ruimte laat voor onzekerheid of kwetsbaarheid. Een man is fysiek sterk, verdient veel geld en is zijn vrouw de baas. Daaronder zit volgens Ardon bij veel jongens juist wel een behoefte aan kwetsbaarheid.

Meer info
3,95
Waarom jongeren ons steeds harder nodig hebben

Waarom jongeren ons steeds harder nodig hebben

Prestatiedruk, geldstress, eenzaamheid, cyberhaat, verslaving, radicalisering. Wat is er aan de hand met onze tieners? Het antwoord hierop vraagt om nuance. Het is immers bekend dat elke oudere generatie de angst om het hart slaat bij wat de jongere generatie uitvreet. Toch signaleert Stijn Sieckelinck dat er meer aandacht nodig is voor hun sociale gezondheid. In een recent verschenen essay – waarvan dit artikel een ingekorte bewerking is – verbindt hij deze opgave met de grotere vragen uit de pedagogiek. Zijn conclusie: juist voor tieners zijn we steeds harder nodig.

Sinds 2004 probeer ik als pedagoog bij te dragen aan een betere opvoeding voor zoveel mogelijk gezinnen, scholen en gemeenten. Pendelend tussen het lokale buurthuis en de landelijke krant werp ik mijn licht op wat het van opvoeders vraagt om jonge mensen zo goed mogelijk in de wereld te begeleiden. Ik spreek bij na dagelijks met jongerenwerkers die in de leefwereld van tieners werkzaam zijn en het belang van jongeren op de eerste plaats zetten. Daarnaast ben ik zelf vader van twee tieners, die mij enorm veel plezier en soms ook kopzorgen geven. In een nieuw essay (Sieckelinck, 2026) blik ik tegen de achtergrond van alle maatschappelijke ontwikkelingen terug op de pijnlijke periode waarin mijn eigen dochter zoals steeds meer tieners langdurig thuis kwam te zitten van school. Ik beschrij f wat dit met mij deed, met ons gezin, en verbind die ervaring met de bredere opgaven die eenieders aandacht verdienen.
Een halve eeuw geleden schreef pedagoge Lea Dasberg (1930-2018) Grootbrengen door kleinhouden. Daarin liet zij zien hoe de aandacht in Nederland verschoven was van volwassen worden naar wat zij ‘jeugdland’ noemde. Met de komst van ‘jeugdland’ werd voor het eerst in de geschiedenis een ‘eigen terrein’ voor de jeugd geconstrueerd. Dat terrein is decennia lang zorgzaam vormgegeven door een alliantie van leerkrachten, ouders en populaire cultuur die ontplooiing stimuleerde. Natuurlijk hebben niet alle gezinnen en jongeren hier de vruchten van kunnen plukken, maar dat neemt niet weg dat jeugdland naar verhouding veel geluk wist voort te brengen. Tegelijk verbaasde Dasberg (1975) zich erover hoe snel het vieren van jong-zijn op de kaart was komen te staan, ten koste van de traditionele doelen van volwassenheid (verantwoordelijkheid, zelfredzaamheid, deugdzaamheid).
Hoe staat het met deze balans anno 2026? Is het ingewikkelder geworden dan voorheen om op te groeien? Het is de vraag die mij het meest gesteld is door reporters, ouders en collega’s. Het antwoord vanuit de wetenschap is zelf complex en niet voor alle gezinnen hetzelfde. Wel is sprake van een versnelling en verwarring die iedereen treft.

Meer info
3,95