Brede levensbeschouwelijke vorming: in het belang van ieder kind?

Brede levensbeschouwelijke vorming: in het belang van ieder kind?

Productgroep Opvoeding, Onderwijs & Overheid
3,90
Abonneeprijs: 1,56

Omschrijving

In deze bijdrage willen we aannemelijk maken dat een brede levensbeschouwelijke vorming van groot belang is voor de identiteitsontwikkeling van kinderen en jongeren. Onder een brede levensbeschouwelijke vorming verstaan wij een vorming waarbij naast aandacht voor kennen ook aandacht wordt besteed aan de vorming van gevoelens, attituden en handelen op het religieuze / levensbeschouwelijke domein1. Vanwege het belang van een dergelijke vorming zouden alle scholen ons inziens in hun onderwijsprogramma hier aandacht aan moeten besteden als integraal onderdeel van waardenopvoeding (De Jong, 1998). Bovendien zien we hier ook een taak voor de overheid weggelegd. De overheid zou de voorwaarden moeten creëren om de door ons bepleite brede levensbeschouwelijke vorming voor alle leerlingen mogelijk te maken. Onze bijdrage is als volgt opgebouwd. In de eerste paragraaf gaan we in op de wijze waarop momenteel door scholen, zowel door openbare als confessionele scholen, in lessen aandacht wordt besteed aan religieuze / levensbeschouwelijke vorming. Duidelijk zal worden dat het aanbod van scholen op dit gebied in veel gevallen sterk cognitief van aard is. In paragraaf 2 beschrijven we beknopt tegen welke historische achtergrond deze praktijk moet worden geplaatst. Daaruit blijkt dat de huidige situatie op scholen wat betreft levensbeschouwelijke vorming het resultaat is van keuzes die zijn gebaseerd op een, naar onze mening, te beperkte opvatting van religie en levensbeschouwing. In de derde paragraaf proberen we aannemelijk te maken dat een brede levensbeschouwelijke vorming van groot belang is voor de identiteitsontwikkeling van kinderen. In paragraaf 4 geven we argumenten waarom scholen aandacht zouden moeten besteden aan een brede levensbeschouwelijke vorming, en zo’n vorming in hun curriculum zouden moeten opnemen. In paragraaf 5 gaan we nader in op de vraag wat de taak van de overheid zou kunnen zijn ten aanzien van levensbeschouwelijke vorming en hoe een dergelijke taakstelling kan worden gerechtvaardigd.