Echt gezag is betwistbaar

Echt gezag is betwistbaar

Productgroep PIP 143
3,95
Gratis voor abonnees.

Omschrijving

Gezag laten gelden voelt voor veel professionals minder vanzelfsprekend dan vroeger. Regels roepen al snel discussie op, grenzen worden getest. De reflex is begrijpelijk: meer inzetten op gedragsmanagement. Maar wat als precies daarachter een belangrijker pedagogische kwestie schuilgaat? Philippe Noens en Jürgen Jaspers verkennen in dit artikel waarom echt pedagogisch gezag altijd betwistbaar is.

Pedagogisch professionals herkennen wellicht het sentiment dat gezag laten gelden minder vanzelfsprekend is dan vroeger. Regels lijken minder snel te worden geaccepteerd, afspraken vragen meer uitleg, grenzen worden vaker getest. Teams zoeken naar houvast.
Daarbij sluipt een belofte binnen: als we het gedrag van onze kinderen en jongeren beter opvolgen of hanteren, kan alles weer lopen zoals het hoort. Die gedachte is begrijpelijk. Niemand ontkent dat storend gedrag bestaat of dat orde en rust belangrijk zijn. Toch willen wij die belofte tussen haakjes zetten. Het debat rond ‘de jeugd van tegenwoordig’ gaat vaak voorbij aan een diepere vraag: wat voor gezag hebben kinderen en jongeren eigenlijk nodig? Niet elk gezag helpt groeien. Gezag dat niet bevraagd mag worden, wordt dwang. En dwang leert gehoorzamen, niet nadenken.
De gedachte dat pedagogisch gezag betwistbaar mag zijn, voelt ongemakkelijk. Ze botst met ons verlangen naar controle en zekerheid. Maar juist die betwistbaarheid maakt ons gezag pedagogisch. Goede begeleiding kan niet zonder ‘geza(a)g’, maar evenmin zonder tegenspraak. Wie iets te zeggen heeft, krijgt gezag. Maar in dat zeggen vraag je toch vooral om begrip. Elke opvoeder wil worden begrepen. Gezag is dus in de eerste plaats een vraagteken. Vanuit die gedachte verkennen we vijf observaties die laten zien hoe gedrag, orde en gezag tegenwoordig met elkaar samenhangen – en waarom het in opvoeden en begeleiden niet gaat om het wegpoetsen van die spanning ertussen, maar om het leren ‘ver(der)dragen’ ervan.

Observatie 1:
Pedagogische vrijheid is broos
Wanneer ongewenst gedrag van kinderen en jongeren een thema wordt in maatschappelijke discussies, wordt de ruimte waarin pedagogen hun werk doen vaak kleiner. Wat begint als bezorgdheid, mondt snel uit in plannen, maatregelen en verwachtingen over hoe men voortaan met dat gedrag hoort om te gaan. Een recent voorbeeld betreft een Vlaams actieplan rond (on)gewenst gedrag. In dat plan wordt beschreven hoe scholen geacht worden om orde en rust te bewaren. Op zich is het begrijpelijk dat beleid zich mengt in pedagogische kwesties. Tegelijk is het opvallend dat er steeds meer top-downideeën circuleren die voorschrijven wat er in de pedagogische praktijk moet gebeuren.
Zowel in België als in Nederland is onderwijsvrijheid wettelijk verankerd. Dat betekent dat scholen hun levensbeschouwelijke en pedagogische visie mogen hebben, en dat ze mogen bepalen hoe zij onderwijs vormgeven. De overheid bepaalt doelen en eindtermen, maar het pedagogisch handelen hoort uiteindelijk tot het domein van scholen.
Wie het actieplan van de Vlaamse overheid goed bekijkt, ziet hoe die pedagogische ruimte onder druk staat. Er worden aanbevelingen gedaan voor ‘goed gedrag’, en tegelijkertijd wordt de onderwijsinspectie gevraagd om strenger te kijken naar hoe lerarenteams hun klasmanagement aanpakken. Wat begint als advies, voelt dan in de praktijk al gauw aan als een verplichting – zeker wanneer inspecteurs meekijken. 
Samenvattend: we leven in een tijd waarin we graag allerlei pedagogische keuzes uniformeren. Terwijl pedagogische vrijheid juist bestaat bij de gratie van verschil.