En verder:
Bij de opvoeding van en zorg voor kinderen zijn naast familie en vrienden verschillende mensen, groepen en organisaties uit de omgeving betrokken. Deze – vaak onbetaalde – informele ondersteuners, zoals vrijwilligers van verenigingen, zorgen ervoor dat gezinnen er niet alleen voor staan en hebben daarom een belangrijke meerwaarde. Vrijwilligers kunnen dit echter vaak niet zonder hulp van professionals. Gemeenten hebben dan ook een verantwoordelijkheid om deze hulp mogelijk te maken.
Beleid legt vaak de nadruk op een-op-een ondersteuning door vrijwilligers. Bijvoorbeeld maatjes of steunouders die, vaak via organisaties voor zorg en welzijn, een persoonlijke band opbouwen met een kind, gezin of ouder die advies of een luisterend oor kan gebruiken. Informele ondersteuning vindt echter ook plaats in alledaagse contacten: in de buurt waar gezinnen wonen, of bij de vereniging waar kinderen sporten of spelen. Denk aan de vrijwilligers in een jongerencentrum die jongeren met elkaar in contact brengen door laagdrempelige activiteiten te organiseren. Of de trainer van een sportvereniging die een kind wekelijks spreekt.
Gemeenten hebben ook in deze omgevingen een rol en verantwoordelijkheid om informele ondersteuners te helpen. Met recent onderzoek hebben we vanuit het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP; Bucx et al., 2025) in kaart gebracht hoe er in praktijk en beleid wordt gewerkt aan de inzet van informele ondersteuners in verschillende omgevingen en wat we hiervan leren. We deden dat op basis van interviews met beleidsmakers, professionals, vrijwilligers, ouders en jongeren in twee gemeenten en op basis van twee expertbijeenkomsten.
Buurtgemeenschappen
Sterke buurtgemeenschappen zorgen voor verbinding tussen bewoners. Zo komen ouders en jongeren sneller met andere ouders en jongeren in contact, en voelen zij zich betrokken bij elkaar en bij de buurt. Ook weten zij daardoor informele ondersteuners makkelijker te vinden. Om elkaar te ontmoeten en te leren kennen is het belangrijk dat er geschikte ontmoetingsplekken zijn. Dat kunnen officiële ontmoetingsplekken zijn (waar ook hulpverlenende instanties zijn) maar ook locaties die voor sommige mensen makkelijker toegankelijk zijn, zoals de school of het buurthuis. Het helpt dan als er verbindende, laagdrempelige activiteiten zijn, begeleid door professionals. Bijvoorbeeld een jongerencentrum, of een ouder-kindgroep, waar sociaal werkers groepen jonge ouders begeleiden en hen stimuleren om zaken rond het opgroeien en opvoeden van kinderen met elkaar te bespreken. Vrijwilligers hebben hierin een belangrijke rol: door hun ervaringsdeskundigheid sluiten ze goed aan bij de behoeften van de doelgroepen.
Gezag laten gelden voelt voor veel professionals minder vanzelfsprekend dan vroeger. Regels roepen al snel discussie op, grenzen worden getest. De reflex is begrijpelijk: meer inzetten op gedragsmanagement. Maar wat als precies daarachter een belangrijker pedagogische kwestie schuilgaat? Philippe Noens en Jürgen Jaspers verkennen in dit artikel waarom echt pedagogisch gezag altijd betwistbaar is.
Pedagogisch professionals herkennen wellicht het sentiment dat gezag laten gelden minder vanzelfsprekend is dan vroeger. Regels lijken minder snel te worden geaccepteerd, afspraken vragen meer uitleg, grenzen worden vaker getest. Teams zoeken naar houvast.
Daarbij sluipt een belofte binnen: als we het gedrag van onze kinderen en jongeren beter opvolgen of hanteren, kan alles weer lopen zoals het hoort. Die gedachte is begrijpelijk. Niemand ontkent dat storend gedrag bestaat of dat orde en rust belangrijk zijn. Toch willen wij die belofte tussen haakjes zetten. Het debat rond ‘de jeugd van tegenwoordig’ gaat vaak voorbij aan een diepere vraag: wat voor gezag hebben kinderen en jongeren eigenlijk nodig? Niet elk gezag helpt groeien. Gezag dat niet bevraagd mag worden, wordt dwang. En dwang leert gehoorzamen, niet nadenken.
De gedachte dat pedagogisch gezag betwistbaar mag zijn, voelt ongemakkelijk. Ze botst met ons verlangen naar controle en zekerheid. Maar juist die betwistbaarheid maakt ons gezag pedagogisch. Goede begeleiding kan niet zonder ‘geza(a)g’, maar evenmin zonder tegenspraak. Wie iets te zeggen heeft, krijgt gezag. Maar in dat zeggen vraag je toch vooral om begrip. Elke opvoeder wil worden begrepen. Gezag is dus in de eerste plaats een vraagteken. Vanuit die gedachte verkennen we vijf observaties die laten zien hoe gedrag, orde en gezag tegenwoordig met elkaar samenhangen – en waarom het in opvoeden en begeleiden niet gaat om het wegpoetsen van die spanning ertussen, maar om het leren ‘ver(der)dragen’ ervan.
Observatie 1:
Pedagogische vrijheid is broos
Wanneer ongewenst gedrag van kinderen en jongeren een thema wordt in maatschappelijke discussies, wordt de ruimte waarin pedagogen hun werk doen vaak kleiner. Wat begint als bezorgdheid, mondt snel uit in plannen, maatregelen en verwachtingen over hoe men voortaan met dat gedrag hoort om te gaan. Een recent voorbeeld betreft een Vlaams actieplan rond (on)gewenst gedrag. In dat plan wordt beschreven hoe scholen geacht worden om orde en rust te bewaren. Op zich is het begrijpelijk dat beleid zich mengt in pedagogische kwesties. Tegelijk is het opvallend dat er steeds meer top-downideeën circuleren die voorschrijven wat er in de pedagogische praktijk moet gebeuren.
Zowel in België als in Nederland is onderwijsvrijheid wettelijk verankerd. Dat betekent dat scholen hun levensbeschouwelijke en pedagogische visie mogen hebben, en dat ze mogen bepalen hoe zij onderwijs vormgeven. De overheid bepaalt doelen en eindtermen, maar het pedagogisch handelen hoort uiteindelijk tot het domein van scholen.
Wie het actieplan van de Vlaamse overheid goed bekijkt, ziet hoe die pedagogische ruimte onder druk staat. Er worden aanbevelingen gedaan voor ‘goed gedrag’, en tegelijkertijd wordt de onderwijsinspectie gevraagd om strenger te kijken naar hoe lerarenteams hun klasmanagement aanpakken. Wat begint als advies, voelt dan in de praktijk al gauw aan als een verplichting – zeker wanneer inspecteurs meekijken.
Samenvattend: we leven in een tijd waarin we graag allerlei pedagogische keuzes uniformeren. Terwijl pedagogische vrijheid juist bestaat bij de gratie van verschil.
Sonja Bouwkamp is ervan overtuigd dat eerlijkheid, openheid en echtheid in elke relatie vertrouwen creëren, ook in die tussen professionals en ouders. Een professional is geen functionaris die protocollen uitvoert, maar is juist als persoon aanwezig in de relatie. Zeker in mensberoepen, zoals het werken met ouders. De PiP-redactie vroeg Sonja vanwege haar jarenlange ervaring en expliciete visie deze in een artikel uiteen te zetten en te illustreren met een casus.
Professionals vragen mij vaak in hoeverre ze in hun werkrelatie met ouders persoonlijk betrokken mogen zijn en wanneer ze juist afstand moeten bewaren. Ik begrijp die vraag, want een ‘goede’ professional vindt volgens mij een balans tussen betrokkenheid en afstand. Deze persoonlijke betrokkenheid kent twee dimensies: betrokkenheid op de ouders, zoals empathie, medeleven, nieuwsgierigheid en medemenselijkheid, en betrokkenheid op zichzelf als professional en de eigen professionele doelen, zoals openheid, directheid, eerlijkheid en persoonlijk zijn.
Die tweede dimensie van betrokkenheid mist in de praktijk nog wel eens. Open en eerlijk zijn over wat je oploopt aan de ander kan voor professionals spannend zijn. De professionele relatie met ouders is immers geen privérelatie. Hoe persoonlijk je je ook opstelt, je bent nooit een vriend(in) die op de koffie komt. Het contact heeft dus altijd een professioneel doel, waarbij het vanwege het belang van het persoonlijk-zijn ook weer niet de bedoeling is dat je een afstandelijke deskundige wordt, die slimme vragen stelt of instructies geeft. Zo’n houding blijkt de werkrelatie te schaden, terwijl die relatie nu juist de belangrijkste voorwaarde is voor succesvol contact (Bouwkamp & Bouwkamp, 2009).
Persoon van de professional Ik signaleer in de ouderbegeleiding een afnemende aandacht voor de persoon van de professional en een toenemende focus op richtlijnen, beheersing en protocollering.
Ook lang niet alle opleidingen besteden voldoende aandacht aan persoonlijk-zijn in de beroepshouding. Dit betekent dat ouders de kans lopen met een professional ‘iemand in functie’ te ontmoeten die enkel functioneel handelt. Maar is professioneel handelen hetzelfde als een protocol volgen? In het werken met mensen gaat het immers ook om professionele nabijheid. Persoonlijke betrokkenheid bouwt bruggen, is mijn ervaring: een mens in problemen heeft een ander mens nodig en geen afstandelij-ke en betweterige functionaris.
Ik was op zoek naar extra handvatten voor de gezinnen waarbij er sprake is van grensoverschrijdend of zelfdestructief gedrag bij kinderen. De methode Verbindend Gezag en Geweldloos Verzet raakte me diep. Niet alleen professioneel, maar ook persoonlijk: ik ging zelf bewuster op zoek naar meer verbinding in de opvoeding van mijn eigen kinderen. Sindsdien werk ik met veel overtuiging en plezier volgens deze aanpak in de gezinnen die ik begeleid.
Zo ook bij Karel en zijn ouders. Karel, een jongen van 14 jaar met ASS en ADHD, kampte met depressieve gevoelens die hem soms volledig konden verlammen. Wanneer het zo zwaar voor hem werd, had dat meteen impact op het hele gezin.
Zijn ouders waren zeer betrokken en deden er alles aan om hem te helpen. Ze bewogen ver met hem mee. Als Karel bijvoorbeeld aangaf dat hij alleen op de bank een film wilde kijken omdat hij dat nodig had, dan trok de rest van het gezin zich terug naar boven. Langzaam maar zeker ging Karel – onbedoeld – steeds meer bepalen wat er in huis gebeurde.
De spanningen liepen soms hoog op, vooral tussen Karel en zijn moeder. In momenten van escalatie werden ze allebei zo boos dat hij haar zelfs een keer heeft geschopt. Zijn ouders zaten met hun handen in het haar en vroegen zich af wat zíj konden doen om de situatie te veranderen.
Ik werk meestal zowel met het kind als met de ouders. Met Karel ging ik wandelen en praten op de hei, terwijl ik met zijn ouders aan de slag ging met verbindend gezag. Wandelen blijft een fijne manier van werken: je hoeft elkaar niet aan te kijken, zware onderwerpen worden makkelijker bespreekbaar en ondertussen ben je in beweging. Na onze wandelingen zetten we samen op papier wat Karel kon doen op momenten dat hij voelde dat het minder goed met hem ging. Stap voor stap leerde hij zichzelf beter begrijpen, waardoor hij steeds vaker kon voorkomen dat het echt te zwaar werd.
Ook bij zijn ouders kwam verandering. Zij omarmden de methode van verbindend gezag. De kernboodschap daarbij is: ‘Ik ben je ouder. Ik geef niet op. En ik geef jou niet op.’ Voor dit gezin was een belangrijk uitgangspunt bijvoorbeeld ‘het ijzer smeden als het koud is’: tijdens een escalatie even afstand nemen om verdere strijd te voorkomen, en er later, op een rustig moment, op terugkomen. Door naar zichzelf te kijken en niet langer mee te gaan in de escalaties, ontstond er ruimte voor iets nieuws.
Daarnaast investeerden zijbewust in het herstellen en versterken van de relatie met Karel. Extra aandacht, lieve briefjes in zijn broodtrommel, hem laten voelen dat ze vertrouwen hadden in wat hijzelf kon. Eerst connectie, dan correctie. Ze bleven liefdevol en duidelijk hun grenzen stellen en lieten Karel niet langer alles bepalen in huis. Het herstellen van het ouderlijk gezag is nog in volle gang, maar wel weer in verbinding; een onmisbaar element voor een gezin om samen verder te kunnen.
De samenleving is de hoeksteen van het gezin. Dat klinkt als de omkering van een oud gezegde, maar in het Arnhemse programma van de Pedagogische Wijk is dat precies waarom het gaat. Men investeert achttien jaar lang in alles wat een nieuwe generatie nodig heeft om tot bloei te komen: het versterken van sociale vaardigheden, het mogelijk maken van positieve ervaringen, maar ook schuldhulpverlening voor ouders, betere woningen en een pedagogische aanpak bij criminaliteitspreventie. Bob Horjus en Annemiek van Vliet gingen met initiator burgemeester Ahmed Marcouch in gesprek.
Wat maakt een pedagogische wijk urgent?
Het vraagstuk houdt me al heel lang bezig. Ik ben geïnspireerd door de manier waarop ikzelf ben grootgebracht, om de betrokkenheid van ouders, om de hulptroepen die zij kregen vanuit de omgeving, en om de manier waarop sociale controle en gezag hand in hand kunnen gaan. De uitdaging is daarbij: waar vind je de balans? Want sociale controle kan doorschieten in een cultuur waarin mensen voor elkaar bepalen hoe ze moeten leven: ‘Waarom was je zondag niet in de kerk, vrijdag niet in de moskee, waarom draag je geen hoofddoek, het is ramadan – waarom eet je?’ Dat is verstikkend. Maar ook individualisering kan doorschieten: dat we ophouden naar elkaar om te kijken. Als ik door Arnhem loop en een veel te jonge jongen met een vape zie, spreek ik hem aan. Niet omdat ik politieman of burgemeester ben, maar medeburger; hij had mijn kind kunnen zijn. Hij hoort niet te vapen. En ja, soms pak ik die vape af, met alle risico’s van dien. Ik vind dat we elkaar mogen aanspreken. Dat is onderdeel van ‘preventie met gezag’.
Preventie met gezag?
Ja, die term laat zien dat preventie geen kwestie van ‘pappen en nathouden’ is, maar ‘tanden’ moet hebben. Mijn jongerenwerkers moeten normeren en rolmodellen zijn: niet roken, letten op taalgebruik, de namen van de kinderen kennen, weten wie hun ouders zijn en waar ze naar school gaan. Pedagogiek is geen panklaar recept. Het vraagt levenswijsheid, geduld, inspireren, liefdevolle coaching, begrenzing, en soms stevig inzetten op preventie. Daarom heet het een pedagogische wijk: die inspiratie komt uit mijn dorp, uit de liefdevolle omgeving waarin ikzelf tot mijn tiende ben opgegroeid in Marokko. Ik ben opgegroeid zonder moeder, ze overleed heel vroeg; mijn vader werkte in Europa en kwam eens per jaar op bezoek, als hij geld had gespaard. Tot mijn tiende kreeg ik geen onderwijs. Onderwijs is een fundamenteel universeel mensenrecht en het belangrijkste wat je een kind kunt geven. Ik kom uit een gezin van zestien kinderen. Materieel had mijn vader niet veel, maar hij was een rolmodel in moraal en spiritualiteit: eerlijk, hard werken, je tijd benutten. En er was mijn oma – een vrome, wijze vrouw. Van haar leerde ik dat het beste wat je als mens kunt doen is van betekenis zijn voor een ander. Zij was voor mij de warme boezem. Ik miste mijn moeder, maar mijn oma bood die liefdevolle omgeving die cruciaal is voor emotionele ontwikkeling.
‘De afnemende mentale en fysieke staat van onze jeugd is de schuld van de ouders.’ Deze stelling legde de PiP-redactie voor aan vijf deskundigen die – ieder vanuit hun eigen invalshoek – nadenken over ouderschap. Het leverde vijf uiteenlopende reacties op.
Er is niets makkelijker dan ouders de schuld geven. Het wijzen van het vingertje is niet alleen onrechtvaardig, maar ook gevaarlijk simplistisch. Ouders zijn geen almachtige regisseurs van het leven van hun kinderen. Wie alleen naar ouders wijst, kijkt bewust weg van bredere oorzaken.
Scholen hebben volle klassen en rekenen met toetsen en cijfers af op wat kinderen niet kunnen. Wachtlijsten in de jeugdzorg zijn lang. Kinderopvang is onbetaalbaar. Er is geen begrip of ruimte op het werk voor het ouderschap. Er is geen steunende omgeving. Individualisering, polarisatie en geopolitieke verhoudingen spelen ons parten. Ook de fysieke gezondheid van kinderen staat onder invloed van factoren die ouders slechts ten dele kunnen sturen. De openbare ruimte is minder uitnodigend om buiten te spelen, verkeer is drukker en veilige speelplekken zijn niet overal vanzelfsprekend. De verleiding van ongezonde voeding is groot: goedkope snacks, frisdrank en marketing die zich direct richt op jongeren.
Daarnaast staat de mentale gezondheid van ouders zelf onder druk. Financiële onzekerheid, hoge woonlasten en ingewikkelde regelingen, zoals toeslagen en formulieren, vreten aan het gezin. Een ouder die voortdurend bang is om geld terug te moeten betalen, heeft minder ruimte voor zijn/haar kind. Als de basisveiligheid van ouders wankelt, heeft dat onvermijdelijk effect op kinderen. Toch wordt in het publieke debat vaak gedaan alsof ouders in een vacuüm bestaan, los van economie, beleid en maatschappelijke verwachtingen.
Ook de verwachtingen rondom perfect ouderschap spelen ouders parten. Sociale media schetsen een plaatje van een opgeruimd huis, keurig gekapte kinderen en partners die elkaar liefhebben. Terwijl de werkelijkheid bestaat uit lego onder je voet, stress, afgelikte boterhammen en de vraag wie de was doet. Het wil niet zeggen dat ouders geen verantwoordelijkheid dragen. Zij zijn het eerste voorbeeld voor hun kinderen, bepalen grenzen, bieden troost en structuur.
Er zijn zeker situaties waarin ouders tekortschieten. Daar mogen en moeten we het over hebben. Maar zelfs dan is de vraag: hoe zijn deze ouders zelf zo kwetsbaar geworden? Welke steun hebben zij gemist op school, op het werk, in de zorg of in hun omgeving? Door hen enkel als schuldigen neer te zetten, missen we een aanpak van de echte oorzaken. Als samenleving is het eerlijker en nuttiger om te spreken over gedeelde verantwoordelijkheid. Ouders hebben een centrale rol, maar scholen, sportclubs, gemeenten, zorgverleners, beleidsmakers én bedrijven hebben dat ook. Willen we dat jongeren fysiek en mentaal gezonder worden, dan moet de omgeving hen daartoe in staat stellen: met toegankelijke jeugdhulp, minder prestatiedruk, meer tijd en ruimte voor spel, betaalbare sport, veilige wijken, steun uit de omgeving en begrijpelijke regels voor gezinnen.
Schuld leggen bij ouders lucht misschien even op in talkshows en opiniestukken, maar het lost niets op. Ouders hebben geen beschuldigende vinger nodig, maar medestanders. Alleen als we het probleem niet langer op hun schouders afschuiven, maar het echt samen dragen, krijgen ouders rust. Overigens kan dat alleen met ouders. Dus voor al die professionals die het hebben over ‘de pedagogische basis vormen’, dat kan niet zonder ouders. Voor je het weet hebben we weer een systeem, regels of steun bedacht waar ze niets aan hebben.
De laatste jaren klinkt de roep om preventie steeds luider. Zeker als het gaat om jongeren. Professionals moeten niet alleen vroegtijdig signaleren, maar ook voorkomen dat er problemen ontstaan. Die ontstaan echter niet in isolement. De context waarbinnen jongeren opgroeien is cruciaal en lijkt met de invloed van sociale media, criminaliteit en polarisatie steeds complexer te worden. Jongerenwerkers worden als essentiële professionals gezien om jongeren binnen deze context te bereiken. Maar hoe zien jongeren dat zelf?
De focus op jongeren als veroorzakers of slachtoffers van sociale problemen die afgeremd of ondersteund moeten worden – preventie – gaat voorbij aan de veranderkracht én verandermacht van jongeren. Daarnaast gaat het voorbij aan het feit dat de maatschappelijke context ons vaak dwingt keuzes te maken over wie we wel en wie we niet zijn (Abdallah & Volman, 2023). Beleid zou niet zozeer de preventie van problemen bij jongeren centraal moeten stellen, dan wel de belevingswereld en de behoeften van opgroeiende jongeren in een complexe omgeving. Als jeugdigen vroegtijdig bij kind- en jongerenwerkers in beeld zijn en met hen in contact staan, kunnen zijn iet alleen ondersteund worden in hun normale ontwikkelopgaven, maar ook als het dreigt ‘mis’ te gaan. Bijvoorbeeld als zij zich enkel gezien en gehoord voelen door radicale groepen of als ze dreigen te vallen voor de verleidingen van criminaliteit.
In dit kader is het schooljongerenwerk een mooie ontwikkeling. Naast jongerenwerk in de wijk of het jongerencentrum kiezen enkele gemeenten voor de aanwezigheid van jongerenwerkers op school. Zij maken op laagdrempelige wijze contact met jongeren en sluiten aan bij hun belevingswereld. Dat kan waardevol contact opleveren: de meeste jongeren zijn immers op school te vinden en de vraagstukken waarmee ze te maken krijgen, spelen onverminderd door binnen de schoolmuren.
Beschermende factoren
Effecten van de inzet van jongerenwerkers en schooljongerenwerkers zijn echter niet gemakkelijk te meten. Zo blijkt uit onder zoek rondom de transitie van de jeugdzorg dat we niet een-op-een kunnen stellen dat de inzet op preventieve ondersteuning ervoor zorgt dat de eigen kracht van betrokkenen wordt aangesproken (Andersson et al., 2023). Gelukkig laten de tussentijdse resultaten van projecten als Drop In, gefinancierd vanuit het programma Preventie met Gezag, voorzichtig zien dat jongerenwerkers een rol spelen als het gaat om het tegengaan van jeugdcriminaliteit (Wesseling et al., 2025). Jongerenwerkers richten zich op beschermende factoren doordat zij aansluiten bij jongeren, hun positieve alternatieven voor criminaliteit aanreiken en hen ondersteunen in het opbouwen van gezonde connecties met anderen.
Een op de vier kinderen groeit op in een eenoudergezin, een op de tien in een stiefgezin, en een onbekend aantal in een regenboog- of meeroudergezin. Toch worden deze gezinsvormen nog vaak als afwijkend gezien. Wat zegt wetenschappelijk onderzoek eigenlijk over de ontwikkeling van kinderen in diverse gezinsvormen? Maakt het aantal ouders of hun genderidentiteit uit? En wat betekent dit voor professionals die met gezinnen werken?
Een populaire website voor ouders kopte recent: Historicus: ‘Er zijn steeds meer alleenstaande ouders, waarom is het gezin dan nog steeds het ideaal?’ (Ouders van Nu, 2025). Deze titel suggereert twee zaken: alleenstaande ouders zijn geen gezin, en er bestaat zoiets als ‘het’ gezin. In de praktijk groeien kinderen echter op in veel verschillende gezinsvormen. Naast het zogenoemde ‘kerngezin’, waarin twee romantische partners samen hun (biologische) kinderen opvoeden – en waarnaar ‘het gezin’ in de titel hierboven waarschijnlijk verwijst – groeit ongeveer een op de vier kinderen (23%) op in een eenoudergezin, een op de tien kinderen (9%) in een stiefgezin of samengesteld gezin, en een onbekend aantal kinderen in een regenbooggezin (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2024a; 2024b). De Rijksoverheid definieert gezinnen al sinds de jaren negentig van de vorige eeuw inclusief en praktisch als ‘elk leefverband van een of meer volwassenen die verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en opvoeding van een of meerdere kinderen’ (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 1996). Bovendien is de samenstelling van gezinnen geen statisch gegeven: wie er precies bij de opvoeding en ontwikkeling van kinderen betrokken is, kan behoorlijk veranderen gedurende de levensloop van het gezin en de kinderen hierbinnen. Ouders scheiden, overlijden, en vinden al dan niet nieuwe partners met wie zij(in meerdere of mindere mate) de opvoeding delen. Volwassenen kunnen er daarnaast bewust voor kiezen om alleen een kind te krijgen en op te voeden, of juist met meer dan twee volwassenen. En ouders binnen gezinnen kunnen dezelfde genderidentiteit hebben (m/m, v/v) of verschillende genderidentiteiten (m/v/x).
Deze grote diversiteit in gezinsvormen wordt lang niet altijd weerspiegeld in wetgeving en in maatschappelijke opvattingen over gezinnen. Zo kan een kind in Nederland momenteel maximaal twee juridische ouders hebben. Pogingen om dit aan te passen stuiten op politieke en juridische weerstand.
Sommige partijen en groeperingen benadrukken traditionele gezinsidealen en problematiseren gezinsdiversiteit. Daarmee lijken ze te suggereren dat traditionele gezinsvormen het ‘juiste’ kader bieden voor kinderen en negeren ze het bestaan van veel andere gezinnen. Recent onderzoek in elf Europese landen laat zien dat ongeveer twee op de drie volwassenen in Noordwest-Europa denken dat het voor de ontwikkeling van kinderen niet uitmaakt of ze in een stiefgezin of meeroudergezin opgroeien, terwijl iets minder dan de helft van de ondervraagden denkt dat kinderen in eenoudergezinnen minder goed af zijn. In Zuid-Europa zijn opvattingen meer traditioneel en denken meer volwassenen dat kinderen het best af zijn in ‘kerngezinnen’ (Solaz et al., 2025). Interessant genoeg hebben in alle onderzochte landen mannen meer traditionele denkbeelden dan vrouwen. Dit onderzoek omvatte geen data vanuit Nederland, maar eerder onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (Bucx et al., 2011) laat wel zien dat rond 2010 nog driekwart van de Nederlanders vond dat een kind een thuis nodig heeft met zowel de eigen biologische vader als moeder om gelukkig te kunnen opgroeien.
Nederland heeft op 8 maart 1995 het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) ondertekend. Dat betekent dat Nederland zich moet inzetten om deze rechten na te leven. De VN heeft het Kinderrechtencomité opgericht om toezicht te houden op naleving van het IVRK. Iedere vijf jaar moet Nederland rapporteren hoe het hiermee staat. Naar aanleiding daarvan stelt het comité aanbevelingen op – Concluding Observations and recommendations – die benoemen men welke rechten in Nederland geschonden of beter nageleefd dienen te worden.
Het Kinderrechtencomité heeft op 9 maart 2022 de staat teruggegeven dat deze zorg moet dragen voor kinderen met een handicap (artikel 23). Het comité maakt zich zorgen over het gestegen aantal kinderen met een handicap in het speciaal onderwijs. Het comité beveelt de staat het volgende aan:
Zorg dat alle kinderen met een handicap, inclusief diegenen met verstandelijke en psychosociale beperkingen, toegang krijgen tot en gebruik kunnen maken van inclusief onderwijs op alle niveaus. Verbeter de maatregelen om inclusief onderwijs te waarborgen, waaronder het aanpassen van leerplannen en scholing alsook het plaatsen van gespecialiseerde docenten en professionals in geïntegreerde klassen, zodat kinderen met leer problemen individuele steun en passende aandacht krijgen.
Jens (13) wil de volgende Freek Vonk worden
‘Ik ben 13 jaar en heb het syndroom van Down. Ik zit in groep 8, samen met mijn tweelingbroer Finn. We helpen elkaar in de klas, hij kan soms vertellen aan de juf wat ik bedoel als ze mij niet verstaat en ik help hem. Hij wordt rustig van mij als hij druk is. Het leukst op school is buitenspelen met mijn vriendinnen en stagelopen.
Ik help de conciërge met dingen maken, klussen doen met een schroevendraaier en plantjes water geven. De post doe ik. Ik breng het naar de directeur. Ik werk ook met Peter, hij is hulpconciërge. Ik help de kleuters met schoenen en jassen aandoen. Ik heb vriendinnen. We spelen buiten, tikkertje, armpje drukken. Ik win dan. En verstoppertje. Ik loop ook rond met ze. Ik schrijf liefdesbrieven met bloemetjes voor ze. Janneke helpt mij op school. Ze oefent met schoolwerk. Dat doe ik eerst met Janneke, dan ga ik naar de klas en ga ik verder. Mama helpt mij ook.
Ik vind Blink-lessen het leukst om te doen. Ik leer in het Engels praten over films en series, zoals over Bluey, mijn lievelingsserie. Ik heb het ook aan mama en papa in het Engels verteld. Finn vertelt thuis over Star Wars. Dat vindt hij leuk.
In opdracht van de staatssecretaris voor Rechtsbescherming onderzocht de Commissie onderzoek Binnenlandse Afstand en Adoptie, voorgezeten door pedagoog Micha de Winter, het lot van jonge vrouwen die in de periode tussen 1956 en 1984 ongehuwd zwanger werden en hun kind niet mochten behouden. De onderzochte periode is afgebakend door de invoering van de Adoptiewet in 1956 en de Wet afbreking zwangerschap in 1984. De eerste wet maakte het mogelijk baby’s van ongehuwd
zwangeren toe te wijzen aan een adoptiegezin, de tweede maakte dat abortus een uitweg werd. De commissie heeft zeer zorgvuldig onderzoek laten verrichten om de gangbare praktijk in de beoogde periode te beschrijven. Ten eerste onderzoek van de historische bronnen over afstand en adoptie door het Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG); ten tweede onderzoek door kennisinstituut Atria naar de persoonlijke ervaringen van mensen die tussen 1956 en 1984 te maken kregen met afstand en adoptie; en ten derde onderzoek naar hedendaagse perspectieven op de geschiedenis van afstand en adoptie door onderzoekers van de Universiteit Maastricht. Het eindrapport biedt tal van inkijkjes in de treurige geschiedenis van afstand en adoptie.
Ik vat met verbijstering de behandeling van het gros van zo’n 13.000 niet-gehuwde zwangere meisjes samen. Voor minderjarige ongehuwden was de wil van hun ouders cruciaal. Tot hun 21ste stonden ze onder het gezag van hun ouders. En die stuurden vanwege de schaamte er vaak op aan om afstand te doen van de baby. De zwangerschap moest verborgen blijven: de zwangere werd niet zelden ergens ver weg ondergebracht en vervolgens ‘ziek’ verklaard. Het was een ongeschreven
regel dat de moeder de baby niet mocht zien, om prille hechting te voorkomen. Tijdens de bevalling werden de moeders soms geblinddoekt om oogcontact met de baby te voorkomen.
Zes jongemannen blikken zelfbewust in de cameralens. Ze zien er op hun paasbest uit: gladgeschoren gezicht, kortgeknipt haar, driedelig donker pak, een Goudse stenen pijp in de hand. Op het tafeltje voor hen ligt als symbool van wijsheid een stapeltje boeken. De wereld ligt aan hun voeten. Waar kijken we naar? Die wereld bevond zich tussen de vier muren van een schoolklas. De foto werd gemaakt ter gelegenheid van het behalen van de onderwijzersakte aan de Haarlemse Rijkskweekschool. Het is een staatsieportret. Een van deze jongens – want dat waren ze nog in 1898 – was de negentienjarige Theo Thijssen (1879-1943). Thijssen groeide uit van sociaal bewogen leerkracht tot socialistisch politicus en schrijver van schoolromans. In 1926 publiceerde hij De gelukkige klas, een roman in dagboekvorm.
Samenwerken met ouders hoort bij het dagelijks werk in het onderwijs, maar verloopt niet altijd probleemloos. Verwachtingen kunnen uiteenlopen, emoties spelen een rol en de druk op scholen neemt toe. Onderwijsprofessionals bevinden zich daarbij regelmatig in een spanningsveld tussen beleidskaders, beschikbare ondersteuningsmogelijkheden en de behoeften van leerlingen en hun ouders. In deze complexe context vraagt professioneel handelen om meer dan ‘goed communiceren’.
Tijdens een voortgangsgesprek in groep 6 vertelt een leerkracht dat hij zich zorgen maakt over het leesniveau van Sam. In de klas krijgt Sam verlengde instructie en extra oefenmomenten, maar de vooruitgang blijft beperkt. De ouders reageren zichtbaar gespannen. Sams moeder zegt: ‘We oefenen thuis elke dag. We hebben recht op passende ondersteuning voor ons kind. Wat gaat de school concreet doen?’ Zijn vader vult aan: ‘We horen op andere scholen dat kinderen meteen extra begeleiding krijgen. Waarom duurt dit hier zo lang?’ De leerkracht voelt zich klem zitten. Hij weet dat de intern begeleider een wachtlijst heeft en dat het team heeft afgesproken eerst handelingsgericht in de groep te werken voordat externe ondersteuning wordt ingezet. Tegelijk ziet hij de onmacht en bezorgdheid van de ouders. Hij wordt voorzichtiger in zijn formuleringen en blijft vooral benoemen wat ‘nog onderzocht wordt’. Het gesprek eindigt zonder echte duidelijkheid of rust, met de afspraak om het over zes weken opnieuw te bespreken.
In deze korte interactie komen meerdere lagen samen: maatschappelijke verwachtingen over passend onderwijs, schoolafspraken over zorgstructuren en beschikbare capaciteit en een emotioneel beladen gesprek tussen ouder en professional. Wie dit alleen ziet als ‘veeleisend gedrag van ouders’, mist de onderliggende dynamiek op meerdere niveaus.
Waarom ouderbetrokkenheid niet genoeg is
De samenwerking tussen ouders en onderwijsprofessionals staat onder druk. Veranderingen in de samenleving, zoals een hardere toon in het contact, meer nadruk op rechten en klachten en hogere verwachtingen van scholen, zijn steeds vaker merkbaar in gesprekken tussen ouders en school. Tegelijk biedt het gangbare denken over ouderbetrokkenheid te weinig houvast om met deze spanningen om te gaan. Het richt zich vooral op wat ouders zouden moeten doen, terwijl het professionele handelen van onderwijsprofessionals vaak onderbelicht blijft. Tegen deze achtergrond schreven Naomi de Vries en ik het onlangs verschenen manifest Ouderbetrokkenheid is niet genoeg. Daarin laten wij zien dat ouderbetrokkenheid is uitgegroeid tot een breed en vaag begrip, en we pleiten daarom voor het nieuwe vak ‘parentagogiek’: het professionele vakmanschap dat nodig is om de samenwerking met ouders bewust, zorgvuldig en verantwoord vorm te geven, in het belang van kinderen.
Het is dinsdagochtend, een groep ouders die elkaar nog niet kent, zit in een schoolgebouw in Amsterdam Nieuw-West. ‘Wil jij vertellen wie jij en je kinderen zijn?’ vraag ik de dame naast mij. ‘Ik ben Saida, moeder van vijf kinderen, eentje getrouwd en ik heb er nog vier thuis.’ Een zucht van bewondering gaat door de ruimte. ‘Maar die jongen van mij’, zegt Saida, ‘hij doet vaak gemeen.’
In 2022 ben ik een Ouderkring gestart. Als moeder van twee zoons, betrokken buurtbewoner en pedagoog valt mij op dat ouders veel zorgen hebben om hun kinderen. Tijdens mijn dagelijks rondje boodschappen kom ik altijd wel iemand tegen die vertelt over een kind dat niet praat, pesterijen in een klas of een afwezige partner. Het valt mij op hoe makkelijk ouders hun zorgen aan mij toevertrouwen en dat niet lijken te doen met instanties die daarvoor zijn. Ouders praten over ‘de jeugdzorg’ die zomaar je kind kan afpakken of een DTP-prik waarvan je autisme kan krijgen. Andere ouders vertellen me over trainingen mindfulness waarin ze leren over zichzelf en het ouderschap, Instagramaccounts over intergenerationeel trauma of de opvoedtips en -tricks die ze dagelijks in hun mailbox ontvangen. Ik merk dat alle ouders onzekerheid ervaren: ouders die in een zee van meningen, adviezen en oordelen bang zijn iets na te laten , én ouders die minder toegang hebben tot die informatie maar wel merken dat er van alles wordt verwacht van opvoeden en ouderschap in Nederland. Zo vertelt een moeder, die net uit Syrië is gevlucht, dat ze dacht dat er iets mis was met haar kind omdat de dame van het consultatiebureau haar de ene na de andere vraag stelde.
Ook hebben veel ouders, waaronder ikzelf, gevoelens van schuld en schaamte; zeker als je het idee hebt dat je kind of gezin niet helemaal in de pas loopt. Ouders hebben misschien wel een netwerk waarmee ze hun zorgen kunnen delen, maar dat dúrven is een tweede. Bovendien zijn interventies rondom opvoeden – alle opmerkingen over it takes a village en de pedagogische basis ten spijt – vooral gericht op het zogenaamde welbevinden van kinderen en veel minder op dat van ouders. Ze zijn meer gericht op zelfredzaamheid – vanuit een medische, individualistische blik op opvoedingskwesties – dan op samenredzaamheid.
Kortom, hoe meer ik mijn ogen en oren open zet, hoe groter het verlangen als ouders sámen in gesprek te gaan. Weg van het individualisme, de kloof en alles dat zogenaamd moet of hoort. Samen uitvinden wat opvoeden en ouderschap nou eigenlijk betekenen.
Gesprekken met ouders zijn een belangrijk onderdeel van je werk, maar ze kunnen je soms meer raken en in beslag nemen dan je lief is. Sommige gesprekken blijven je bij, omdat ze iets bij je raakten en vragen opriepen. Wat gebeurde hier? Wat maakte dat deze ouder zo reageerde? En waarom kostte het gesprek je zoveel energie? Energie die je liever aan het kind had besteed.
Dit artikel gaat over zulke momenten. Over waarom het belangrijk is om ouders te begrijpen, zodat je in complexe oudergesprekken kunt blij ven werken in verbinding. Met ouders én met jezelf.
De leerkracht zit tegenover de moeder van Jeff. Ze heeft haar uitgenodigd omdat ze zich zorgen maakt over hoe Jeff zich in de klas gedraagt. Hij is rustig, doet wat er van hem gevraagd wordt, maar lijkt zich steeds meer terug te trekken. Hij steekt zelden zijn vinger op, vermijdt oogcontact en vraagt geen hulp, ook niet wanneer hij vastloopt. De leerkracht beschrijft wat haar opvalt, deelt haar observaties en benoemt wat volgens haar helpend zou kunnen zijn. De moeder knikt en stelt weinig vragen. Ze is zichtbaar gespannen. Aan het einde van het gesprek staat ze op en pakt ze haar tas. ‘Dus eigenlijk doet hij het nooit goed’, zegt ze, terwijl ze naar de deur loopt. Zonder gedag te zeggen verlaat ze het lokaal. De leerkracht blijft verdwaasd en met een knoop in haar maag achter. Dit is niet wat ze heeft bedoeld! Ze wilde juist meedenken, ondersteunen en samenwerken. Bovendien heeft ze eerder altijd fijne gesprekken gevoerd met deze moeder, toen Jeffs oudere zus bij haar in de klas zat. Wat gebeurde hier?
Herkenbaar
Voor veel professionals die met kinderen werken zijn dit soort gesprekken pijnlijk herkenbaar. Met de beste bedoelingen en grote betrokkenheid bij het kind ga je het gesprek aan met ouders. Soms zijn dat voortgangsgesprekken waarin je samen terugkijkt op hoe het gaat. Soms zijn het gesprekken waarin zorgen worden gedeeld: van jou, van de ouder, of van jullie allebei.
Je wilt zorgvuldig en eerlijk zijn, en bij dragen aan het welzijn en de ontwikkeling van het kind. Je bereidt het gesprek goed voor. Je weegt je woorden, benoemt wat je ziet en denkt mee over wat helpend zou kunnen zijn. En toch…
Veel professionals herkennen het moment waarop een gesprek ineens kantelt. Zonder duidelijke aanleiding voel je spanning ontstaan. De ouder reageert anders dan je had verwacht: kortaf, defensief, boos of juist opvallend stil. Soms lijkt het alsof wat je zegt niet meer landt. Alsof je elkaar onderweg bent kwijtgeraakt.
Achteraf blijf je met vragen zitten. Wat deed ik verkeerd? Waarom kwam dit niet binnen? Je hebt gezegd wat je bedoelde. Je bedoelde het goed. En toch voelt het gesprek onaf, wrang of verwarrend.
Wim Goossens onderscheidt ouderschap van opvoederschap. Ouderschap gaat over een besef van verantwoordelijk-zijn en is een identiteitsvraagstuk, een ethisch appel om zich als ouder te bekennen tot dít kind. Opvoederschap verwijst naar het kijken naar ouders vanuit het kindperspectief. In dit artikel pleit hij vanuit zijn (werk)biografie en de theorie van Alice van der Pas voor het benutten van ervaringsdeskundigheid van ouders en positioneert hij het ouderperspectief in de interprofessionele samenwerking.
Mijn denken over ouderschap en het belang van het inzetten van ervaringskennis, ervaringsdelen en ervaringsdeskundigheid is door de jaren heen gevormd.
Primair kwam dit door mijn eigen ouderschapservaringen met mijn twee dochters en met name die met mijn nu 35-jarige zoon. Hij heeft een combinatie van autisme, een verstandelijke beperking – hij heeft een sociaal ontwikkelingsniveau van 3,5 jaar – en ernstige gedragsstoornissen. Na een crisisplaatsing verblijft hij sinds vijftien jaar in een behandelsetting. Inmiddels hebben we in 32 jaar ervaring opgedaan met ruim 350 zorgprofessionals en hulpverleners. Dit kwam door personeelswisselingen en doordat vele disciplines, organisaties, commissies, werkgroepen, procedures, protocollen en financieringsstromen ons ouderlijk pad kruisten. Bij de crisisplaatsing gingen bijna alle vragen over hem en weinig over wat dat voor ons als ouders betekende en wat wij nodig hadden. Bijna niemand vroeg hoe wij moreel in evenwicht konden blijven toen hij in zijn fase van hoogste kwetsbaarheid niet meer thuis kon blijven.
In de loop van de jaren ben ik ervan overtuigd geraakt dat het collectieve geheugen van ouders en onze ‘organisch’ opgebouwde ervaringskennis met onze zoon noodzakelijk is naast de professionele en wetenschappelijke kennis. Ervaringskennis kan tegenwicht bieden aan het als ouders overgeleverd zijn aan de vele professionele passanten.
Als ouderbegeleider leren van ouders
Zelf ben ik ouderbegeleider geweest in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Daar heb ik van mijn collega’s geleerd, maar vooral van de ouders. Voor ouders is methodische kennis meestal abstract. Zij voelen zich soms geperst in instellingsmethodieken, werkwijzen en procedures. Het kindperspectief is bovendien dominant in de intakeformulieren en benaderingswijzen van professionals. De krachtige opgebouwde ervaringskennis van vele ouders met hun kind deed mij als professional de ouders en ook hun kind beter begrijpen. Daarbij ervoer ik dat ouders mij en elkaar meer te vertellen hadden dan ik hun. Dit was voor mij de aanzet om verschillende typen van onderlinge ouderontmoetingen te stimuleren, wat mij weer deed groeien als professional. Ik leerde vanuit professioneel oogpunt veel beter luisteren naar ‘het hartverhaal’ van ouders. Een Belgische ouderbegeleider leerde me daarbij de kunst van de ‘bavardage’, het ogenschijnlijk ‘babbelen’ met ouders waardoor vanzelf komt bovendrijven wat voor hen van belang is. Ik leerde als professional steeds meer nederigheid richting ouders, waarbij ik waarnam dat daardoor hun competentiegevoel werd versterkt.
Uit de literatuur over stiefgezinnen is bekend dat de helft binnen een paar jaar alweer uit elkaar valt. Veel stiefgezinnen kunnen dus best wat ondersteuning gebruiken. Meestal zal het de ouder zijn die zich meldt met een opvoedvraag.
Die help je dan bij voorkeur vanuit een ouderbegeleidende positie. Maar als het de stiefouder is die zich meldt, hoe help je die dan?
Niemand in Nederland heeft zo langdurig en zo grondig nagedacht over het ondersteunen van ouders als Alice van der Pas (1934-2017). Zij maakte van ouderbegeleiding haar levenswerk. Ze schreef tien boeken waarin ‘de ouderbegeleidende positie’ centraal staat. Deze positie is in haar ogen nadrukkelijk geschikt voor alle ouders. En daar vallen niet alleen biologische ouders onder: ‘Ouders zijn (…) al die grote mensen die (…) zich onvoorwaardelijk en blijvend verantwoordelijk weten voor een kind, ongeacht of er sprake is van bloedverwantschap’ (Van der Pas, 2006, p. 98).
Ik ben een groot bewonderaar van het werk van Van der Pas, maar op dit punt denk ik toch echt dat het anders zit. Biologische ouders en stiefouders kun je niet over één kam scheren. Ik zal beginnen met het uiteenzetten van een aantal van haar kerngedachten, om op basis daarvan duidelijk te maken waarom stiefouders om een andere benadering vragen. Ik sluit af met enkele voorbeelden van wat die andere benadering zou kunnen opleveren.
De ouderbegeleidende positie
Wie te maken krijgt met ouders omdat er iets aan de hand is met hun kind, komt snel in een precaire situatie terecht. Jij werkt voor het kind. Als je je opwerpt als beschermer van het kind, sta je voor je het weet tegenover de ouder. Hoe pak je dit aan? Hoe ga je het gesprek aan met een ouder zonder te beschuldigen, zonder de betere ouder te willen zijn, zonder als expert boven de ouder te gaan staan? Belangrijk is, zo stelt Van der Pas, dat je naast de ouder gaat staan. Haar zienswijze: zie de ouder als expert van het eigen kind. Ga samen met de ouder bekijken hoe de omstandigheden het ouderschap bemoeilijken en ga samen op zoek naar wat deze omstandigheden zou kunnen verlichten.
Van der Pas formuleerde drie uitgangspunten voor ouderbegeleiders om te kunnen bepalen of ze zich stevig positioneren . Benader elke ouder als iemand met een tijdloos en onvoorwaardelijk besef van verantwoordelijk-zijn. Als je een ouder wilt laten nadenken over de situatie, ga er dan van uit dat die zich verantwoordelijk weet, wat ook de omstandigheden zijn en wat ook de eigen mogelijkheden zijn. Ouderschap maakt kwetsbaar. Wees je bewust dat het besef verantwoordelijk te zijn voor een op zichzelf staand en met een eigen wil begiftigd wezen, ouderschap tot een kwetsbaar iets maakt. Want wat er ook mis is of misgaat, de ouder voelt het makkelijk als iets dat hem of haar aan te rekenen is. Ouders geven zichzelf al genoeg de schuld; zorg dat jij dat als ouderbegeleider niet doet. Benader een ouder als de eindverantwoordelijke consultvrager. Het is het kind van deze ouder; hij of zij zal de analyse die in samenspraak met jou ontstaat moeten delen, de consequenties die daaruit voortvloeien moeten omarmen en ernaar moeten handelen.