Geen kasplantjes, maar stevige boerenkool van den kouden grond

Geen kasplantjes, maar stevige boerenkool van den kouden grond

Productgroep Thema’s uit de wijsgerige en historische pedagogiek
Hilda Amsing | 1998
3,90
Abonneeprijs: 1,56

Omschrijving

Thorbecke regelde in 1863 het middelbaar onderwijs. Dit onderwijs was bedoeld voor de middenstand. Het bereidde voor op ‘die velerlei wegen, waarop de arbeid van den middenstand zich beweegt’. (1) Hoewel het gymnasium pas in 1876 bij wet werd geregeld, werd met de wet van 1863, door het gymnasium uit te sluiten, tevens de plaats van dit schooltype in het hoger onderwijs bepaald. Thorbecke baseerde, geheel in overeenstemming met het traditionele standenstelsel, zijn onderwijsstelsel op het principe dat de bestemming van leerlingen de inrichting van het onderwijs moest bepalen. (2) De toekomstige taak van burgers in de maatschappij werd in Thorbeckes visie niet bepaald door aanleg, maar door afkomst. Dit principe kwam tot uiting in de plaats die hij de hbs en het gymnasium, twee schooltypen voor algemeen vormend voortgezet onderwijs, toekende in het onderwijsstelsel. De hbs beoogde algemeen vormend eindonderwijs te geven, (3) waarin de maatschappelijke relevantie van het geleerde centraal stond. Dit schooltype was bedoeld voor de bovenste regionen van de middenstand, (4) voor de hogere burgerij ‘welke meer vrijheid bezit om denken en kennis te ontwikkelen, dan doorgaans ambachtslieden en kleine landbouwers’ (5) en werd ondergebracht bij het middelbaar onderwijs. Het gymnasium, ontstaan uit de Latijnse school, bereidde voor op de universiteit en had hierin een monopoliepositie. Het was een schooltype voor geleerde vorming waarin de klassieke talen centraal stonden. Dit schooltype was bestemd voor de geleerde stand en hoorde als schooltype van voorbereidend hoger onderwijs volgens Thorbecke niet tot het middelbaar, maar, in navolging van het Koninklijk Besluit van 1815, tot het hoger onderwijs. Het gymnasium was de eerste stap in de ontwikkeling van een persoon tot een volwaardig lid van de geleerde stand (Wachelder, 1992, pp.62-63).