‘Oh ja, ik ben biseksueel, maar ik heb wel gewoon een vriend.’ Dit hoorde ik mezelf laatst tegen een kennis zeggen. Ik begreep niet helemaal wat er aan die zin, die ik zelf had gezegd, fout klonk in mijn oren. Het was toch de objectieve waarheid? Ik ben biseksueel, en ik heb een vriend. Ik stopte de gedachte weg en ging verder met het gesprek. Pas later drong het tot me door waarom die zin me zo dwarszat. Wat voegde het woord ‘gewoon’ namelijk toe aan het gesprek? ‘Gewoon’ was niet zomaar een bijwoord, het had een lading. Het was ‘gewoon’ om een meisje te zijn en een vriend te hebben. Voor mij was het echter niet normaal, mijn seksuele oriëntatie was niet ‘normaal’. Het was iets dat je mensen moest vertellen, uitleggen. Ouders, docenten, vrienden, kennissen; ze gaan allemaal uit van wat ‘normaal’ is. En in hun ogen betekent dat: heteroseksualiteit.