Het kind en de geestelijke volksgezondheid tijdens de Wederopbouw

Het kind en de geestelijke volksgezondheid tijdens de Wederopbouw

Productgroep Opvoeding, Onderwijs & Overheid
3,90
Abonneeprijs: 1,56

Omschrijving

In het Maandblad voor de Geestelijke Volksgezondheid verschijnt in 1947 het verslag van de drukke werkdag van een psychiatrisch sociaal werkster (PSW), verbonden aan een Medisch Opvoedkundig Bureau (MOB). Op een MOB werden onderzoek, advies en behandeling van ‘moeilijke’ kinderen gecombineerd uitgevoerd door een multidisciplinair team, dat naast de PSW bestond uit een psychiater, een psycholoog en een kinderarts. Het dagrapport geeft een mooi overzicht van de activiteiten van dergelijke bureaus, waarvan er in Nederland op dat moment acht bestonden. Die functioneerden onder de koepel van een Nederlandse Federatie van MOB’s. Deze bureaus kampten in de naoorlogse jaren allemaal met onderbezetting. De vacatures betroffen vooral PSW’s, de enige voltijdse krachten. Het tekort aan PSW’s werd behalve door de grote aantallen aanmeldingen veroorzaakt door een gebrek aan opleidingscapaciteit. Aan de twee oudste bureaus, in Amsterdam (1928) en Den Haag (1932), kon de Federatie jaarlijks in totaal slechts tien streng geselecteerde kandidaten in de praktijk opleiden. Het kunnen beschikken over ten minste één gediplomeerde PSW was voorwaarde voor een gewoon adviesbureau voor moeilijke kinderen om als Federatiebureau te worden erkend. Vijf jaar later, in 1952, was hun aantal niettemin nagenoeg verdubbeld tot vijftien bureaus, die op achttien plaatsen in het land spreekuur hielden. Dat getal zou vervolgens slechts langzaam groeien (Van der Grinten, 1987a, pp. 186-191). De naoorlogse jaren betekenden zodoende een ongekende bloei van het MOB-werk.