Het rasbegrip in de Vlaamse vooroorlogse pedagogiek

Het rasbegrip in de Vlaamse vooroorlogse pedagogiek

Productgroep Thema’s uit de wijsgerige en historische pedagogiek
Marc Depaepe | 1998
3,90
Abonneeprijs: 1,56

Omschrijving

Het is evident dat het rasbegrip in de psychologie en de pedagogiek is binnengeslopen via de eugenetica, die overigens zelf tot de bevordering van het experimenteel onderzoek in deze wetenschappen heeft bijgedragen. Via gepopulariseerde ‘toepassingen’ van dat soort onderzoek kwamen in de V.S. sterilisatiewetten tot stand, die in nazi-Duitsland gretig werden overgenomen. Ter legitimering van de normatief-pedagogische theorievorming aldaar werd ‘ras’ een fundamentele categorie van de pedagogische psychologie. Aldus overspande ze trouwens de traditionele paradox tussen de empirische en normatieve aanpak (het sein-sollen debat) in de pedagogische wetenschappen. Zulke ‘Blut- und Boden’-theorie maakte bij ons weliswaar enige opgang in de aanzetten tot een Vlaams-nationalistische pedagogiek, maar stuitte op een principiële afwijzing in het kader van de Vlaamse katholieke pedagogiek, wat niet belet dat ook daar met enige bewondering werd opgekeken naar sommige deelaspecten van de nationaal-socialistische opvoedingsleer. In die zin was men ook bereid af en toe het (mode-)woord ‘ras’ in de mond te nemen, zij het dan onder verwijzing naar een sociologische, c.q. cultuurhistorische entiteit van ‘Vlaamse vroomheid en adeldom’. Tot een echte ‘annexatie’ van de vulgair-biologistische uitgangspunten van de nazistische rassenhygiëne lijkt het alvast niet te zijn gekomen. Hieronder wordt die hypothese verder uitgewerkt aan de hand van een studie van het ‘Vlaamsch Opvoedkundig Tijd schrift’ dat zich vóór zowel als na de Tweede Wereldoorlog als de spreekbuis van de katholieke pedagogiek in Vlaanderen aandiende.