‘De afnemende mentale en fysieke staat van onze jeugd is de schuld van de ouders.’ Deze stelling legde de PiP-redactie voor aan vijf deskundigen die – ieder vanuit hun eigen invalshoek – nadenken over ouderschap. Het leverde vijf uiteenlopende reacties op.
Er is niets makkelijker dan ouders de schuld geven. Het wijzen van het vingertje is niet alleen onrechtvaardig, maar ook gevaarlijk simplistisch. Ouders zijn geen almachtige regisseurs van het leven van hun kinderen. Wie alleen naar ouders wijst, kijkt bewust weg van bredere oorzaken.
Scholen hebben volle klassen en rekenen met toetsen en cijfers af op wat kinderen niet kunnen. Wachtlijsten in de jeugdzorg zijn lang. Kinderopvang is onbetaalbaar. Er is geen begrip of ruimte op het werk voor het ouderschap. Er is geen steunende omgeving. Individualisering, polarisatie en geopolitieke verhoudingen spelen ons parten. Ook de fysieke gezondheid van kinderen staat onder invloed van factoren die ouders slechts ten dele kunnen sturen. De openbare ruimte is minder uitnodigend om buiten te spelen, verkeer is drukker en veilige speelplekken zijn niet overal vanzelfsprekend. De verleiding van ongezonde voeding is groot: goedkope snacks, frisdrank en marketing die zich direct richt op jongeren.
Daarnaast staat de mentale gezondheid van ouders zelf onder druk. Financiële onzekerheid, hoge woonlasten en ingewikkelde regelingen, zoals toeslagen en formulieren, vreten aan het gezin. Een ouder die voortdurend bang is om geld terug te moeten betalen, heeft minder ruimte voor zijn/haar kind. Als de basisveiligheid van ouders wankelt, heeft dat onvermijdelijk effect op kinderen. Toch wordt in het publieke debat vaak gedaan alsof ouders in een vacuüm bestaan, los van economie, beleid en maatschappelijke verwachtingen.
Ook de verwachtingen rondom perfect ouderschap spelen ouders parten. Sociale media schetsen een plaatje van een opgeruimd huis, keurig gekapte kinderen en partners die elkaar liefhebben. Terwijl de werkelijkheid bestaat uit lego onder je voet, stress, afgelikte boterhammen en de vraag wie de was doet. Het wil niet zeggen dat ouders geen verantwoordelijkheid dragen. Zij zijn het eerste voorbeeld voor hun kinderen, bepalen grenzen, bieden troost en structuur.
Er zijn zeker situaties waarin ouders tekortschieten. Daar mogen en moeten we het over hebben. Maar zelfs dan is de vraag: hoe zijn deze ouders zelf zo kwetsbaar geworden? Welke steun hebben zij gemist op school, op het werk, in de zorg of in hun omgeving? Door hen enkel als schuldigen neer te zetten, missen we een aanpak van de echte oorzaken. Als samenleving is het eerlijker en nuttiger om te spreken over gedeelde verantwoordelijkheid. Ouders hebben een centrale rol, maar scholen, sportclubs, gemeenten, zorgverleners, beleidsmakers én bedrijven hebben dat ook. Willen we dat jongeren fysiek en mentaal gezonder worden, dan moet de omgeving hen daartoe in staat stellen: met toegankelijke jeugdhulp, minder prestatiedruk, meer tijd en ruimte voor spel, betaalbare sport, veilige wijken, steun uit de omgeving en begrijpelijke regels voor gezinnen.
Schuld leggen bij ouders lucht misschien even op in talkshows en opiniestukken, maar het lost niets op. Ouders hebben geen beschuldigende vinger nodig, maar medestanders. Alleen als we het probleem niet langer op hun schouders afschuiven, maar het echt samen dragen, krijgen ouders rust. Overigens kan dat alleen met ouders. Dus voor al die professionals die het hebben over ‘de pedagogische basis vormen’, dat kan niet zonder ouders. Voor je het weet hebben we weer een systeem, regels of steun bedacht waar ze niets aan hebben.