Een op de vier kinderen groeit op in een eenoudergezin, een op de tien in een stiefgezin, en een onbekend aantal in een regenboog- of meeroudergezin. Toch worden deze gezinsvormen nog vaak als afwijkend gezien. Wat zegt wetenschappelijk onderzoek eigenlijk over de ontwikkeling van kinderen in diverse gezinsvormen? Maakt het aantal ouders of hun genderidentiteit uit? En wat betekent dit voor professionals die met gezinnen werken?
Een populaire website voor ouders kopte recent: Historicus: ‘Er zijn steeds meer alleenstaande ouders, waarom is het gezin dan nog steeds het ideaal?’ (Ouders van Nu, 2025). Deze titel suggereert twee zaken: alleenstaande ouders zijn geen gezin, en er bestaat zoiets als ‘het’ gezin. In de praktijk groeien kinderen echter op in veel verschillende gezinsvormen. Naast het zogenoemde ‘kerngezin’, waarin twee romantische partners samen hun (biologische) kinderen opvoeden – en waarnaar ‘het gezin’ in de titel hierboven waarschijnlijk verwijst – groeit ongeveer een op de vier kinderen (23%) op in een eenoudergezin, een op de tien kinderen (9%) in een stiefgezin of samengesteld gezin, en een onbekend aantal kinderen in een regenbooggezin (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2024a; 2024b). De Rijksoverheid definieert gezinnen al sinds de jaren negentig van de vorige eeuw inclusief en praktisch als ‘elk leefverband van een of meer volwassenen die verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en opvoeding van een of meerdere kinderen’ (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 1996). Bovendien is de samenstelling van gezinnen geen statisch gegeven: wie er precies bij de opvoeding en ontwikkeling van kinderen betrokken is, kan behoorlijk veranderen gedurende de levensloop van het gezin en de kinderen hierbinnen. Ouders scheiden, overlijden, en vinden al dan niet nieuwe partners met wie zij(in meerdere of mindere mate) de opvoeding delen. Volwassenen kunnen er daarnaast bewust voor kiezen om alleen een kind te krijgen en op te voeden, of juist met meer dan twee volwassenen. En ouders binnen gezinnen kunnen dezelfde genderidentiteit hebben (m/m, v/v) of verschillende genderidentiteiten (m/v/x).
Deze grote diversiteit in gezinsvormen wordt lang niet altijd weerspiegeld in wetgeving en in maatschappelijke opvattingen over gezinnen. Zo kan een kind in Nederland momenteel maximaal twee juridische ouders hebben. Pogingen om dit aan te passen stuiten op politieke en juridische weerstand.
Sommige partijen en groeperingen benadrukken traditionele gezinsidealen en problematiseren gezinsdiversiteit. Daarmee lijken ze te suggereren dat traditionele gezinsvormen het ‘juiste’ kader bieden voor kinderen en negeren ze het bestaan van veel andere gezinnen. Recent onderzoek in elf Europese landen laat zien dat ongeveer twee op de drie volwassenen in Noordwest-Europa denken dat het voor de ontwikkeling van kinderen niet uitmaakt of ze in een stiefgezin of meeroudergezin opgroeien, terwijl iets minder dan de helft van de ondervraagden denkt dat kinderen in eenoudergezinnen minder goed af zijn. In Zuid-Europa zijn opvattingen meer traditioneel en denken meer volwassenen dat kinderen het best af zijn in ‘kerngezinnen’ (Solaz et al., 2025). Interessant genoeg hebben in alle onderzochte landen mannen meer traditionele denkbeelden dan vrouwen. Dit onderzoek omvatte geen data vanuit Nederland, maar eerder onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (Bucx et al., 2011) laat wel zien dat rond 2010 nog driekwart van de Nederlanders vond dat een kind een thuis nodig heeft met zowel de eigen biologische vader als moeder om gelukkig te kunnen opgroeien.