Pedagogische gronden voor justitiële gezinsinterventie

Pedagogische gronden voor justitiële gezinsinterventie

Productgroep Opvoedingshulp geboden
Jan Steutel | 1995 | 9066651466
3,90
Abonneeprijs: 1,56

Omschrijving

‘Gedurende hun huwelijk bezitten de ouders de ouderlijke macht over hun minderjarige kinderen’ - aldus luidt artikel 246 van het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek. Het recht van ouders om het gezag over hun kinderen uit te oefenen wordt in onze samenleving kennelijk zo belangrijk gevonden, dat het in de wet is vastgelegd. Toch wordt dit recht niet als absoluut of onbegrensd beschouwd. Want hetzelfde wetboek biedt de rechtbank de mogelijkheid om ouders de macht geheel of gedeeltelijk te ontnemen. Zo kan de rechter de kinderen onder toe zicht stellen en een gezinsvoogd benoemen, of de ouders van het gezag over hun kinderen ontheffen, of zelfs een ontzetting uit de ouderlijke macht uitspreken (art. 254-278 1BW). Voor deze vormen van justitiële gezinsinterventie worden in de wet tal van gronden genoemd, zoals een dreigende lichamelijke of zedelijke ondergang van het kind, misbruik van de ouderlijke macht, verwaarlozing van de belangen van het kind, slecht levensgedrag van de ouders, alsmede ongeschiktheid of onmacht van de ouders om hun plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. Al deze overwegingen worden in het Burgerlijk Wetboek gepresenteerd als goede redenen om in te grijpen in gezinnen en het ouderlijk gezag zo nodig in te perken.