Het klinkt best mooi – we moeten zorg en ondersteuning zoveel mogelijk aanbieden in de eigen omgeving van kinderen. Ik kan het in vrij wel ieder beleidsstuk terugvinden als het gaat om de organisatie van zorg en ondersteuning van kinderen en gezinnen.
Zo was ik laatst in gesprek met een aantal welzijnswerkers. Een van hen gaf aan dat ‘de school een fantastische vindplaats is’. Toen ik vroeg wat deze daarmee bedoelde, werd gezegd dat de school de perfecte plek is om er vroeg bij te zijn bij (vermoedens van) problemen zoals leer- of gedragsproblemen. Op school komen immers bijna alle kinderen en is iedereen goed in beeld. En leerkrachten kunnen niet alle vraagstukken oppakken die hun kant op komen, zeker niet als het psychologische vragen zijn. Ik dacht: het klinkt vrij logisch, maar toch klopt er iets niet. Er gingen allerlei alarmbellen in mijn hoofd.
Toen we vervolgens verders spraken, benoemde de welzijnswerker de meerwaarde van aanwezigheid op school: collectief samenwerken, korte lijnen, kinderen goed in beeld en ouders ook. Over de leerkrachten op school hoorde ik echter niet zoveel, behalve dat zij het heel druk hebben en heel blij zijn als iemand een taak van hen overneemt. Ik dacht: we plaatsen allerlei specialisten, coaches en andere ‘nieuwe functies’ in de school, die allemaal ‘iets’ met het kind van doen hebben. Jongerenwerkers, brugfunctionarissen, schoolpsychologen, allemaal willen ze in die school – want daar gebeurt ‘het’. ‘Het’ is in dit geval het ontstaan van problemen. Soms vraag ik mij wel eens af of het niet het zoeken naar problemen is. Hier komt vroegsignalering om de hoek kijken – we willen zo vroeg mogelijk aanwezig zijn om problemen te voorkomen, maar de keerzij de hiervan is dat we gedrag juist sneller als problematisch bestempelen. Bovendien kan de veelvoud aan rollen in de school leiden tot rolvervaging en samenwerkingsproblemen.
De school opvatten als vindplaats laat een probleemgerichte visie op het onderwijs zien. Vanuit het idee dat op school de leerlingen in beeld zijn, verandert de school tot dé plek om in te grijpen en interventies toe te passen. Dit roept de vraag op: verandert de school op deze manier niet langzaamaan in een zorginstelling? In plaats van in een pedagogisch instituut, waar kinderen mogen zijn en kunnen leren, groeien, vallen en opstaan? De leerkracht is hierbij een centrale figuur; met zijn pedagogische visie en handelen kan hij leerlingen stimuleren. De huidige toename van het leger aan specialisten, coaches en interventies in de school heeft het risico om het pedagogisch ritme van de school te veranderen en het gezag van de leerkracht over te nemen, met andere regels en logica’s.
Uiteindelijk vertroebelt de kerntaak van het onderwijs steeds verder. Leerkrachten, hulpverleners, coaches, specialisten lopen allen door de school met de beste intenties voor de leerling. Tegelijkertijd vragen steeds meer leerlingen om iets extra’s en zijn de klassen overvol. Is deze situatie gewenst? Bewandelen we op deze manier wel de juiste wegen om onze kinderen kansrijk en veilig te laten opgroeien? Of vraagt dit juist om een radicaal andere visie op wat er nodig is om kinderen te onderwijzen? Laten we dan afstappen van het idee van ‘de school als vindplaats’ en de school als pedagogisch instituut opvatten, waar kinderen mogen leren, groeien, vallen en opstaan. Waarbij de leerkracht vanuit positieve pedagogische relaties leerlingen hierbij kan ondersteunen en hen tot leren kan aanzetten.
Soms denk ik nog wel eens terug aan mijn eigen schooltijd. Ik was niet het moeilijkste jongetje, maar ook zeker niet gemakkelijk. Zou er bij dat jongetje, als hij nu naar school zou gaan, ook een probleem worden ‘gevonden’? Ik ben bang van wel.