Het hoofdartikel maakt inzichtelijk dat de Theorie van Positieve Desintegratie uitnodigt om intens gedrag niet uitsluitend te beschouwen als een mogelijke uiting van psychopathologie, maar ook als een manier waarop een kind de wereld ervaart, verwerkt en betekenis geeft aan ervaringen. Daarmee biedt de theorie geen alternatief voor diagnostiek, maar een aanvullend ontwikkelingsgericht interpretatiekader. De praktijk roept vervolgens de vraag op hoe deze visie kan worden toegepast binnen bijvoorbeeld diagnostiek, begeleiding en behandeling van het onderwijs.
Voor de orthopedagogische praktijk betekent het toepassen van de Theorie van Positieve Desintegratie een verschuiving van de vraag wat een kind laat zien naar de vraag wat dit gedrag vertelt over zijn ontwikkeling. Zo verschuift de focus van het beschrijven van gedrag naar het begrijpen van ontwikkelingspotentieel. Een interpretatiekader kan een classicerend en een ontwikkelingsgericht perspectief verbinden. Niet als tegengestelden, maar als complementaire manieren om gedrag te begrijpen.
Stap 1. Observeren vóór interpreteren
Orthopedagogisch handelen begint met zorgvuldig observeren. Gedrag is zichtbaar en vormt vaak de aanleiding voor aanmelding, diagnostiek, begeleiding of behandeling. Pas wanneer wordt onderzocht wat het gedrag probeert te vertellen, ontstaat een betekenisvol vertrekpunt voor verdere diagnostiek en/of behandeling. Toch vertelt gedrag zelden het hele verhaal. Twee kinderen kunnen hetzelfde gedrag laten zien, terwijl de onderliggende ontwikkelingsprocessen fundamenteel verschillen.
Omgekeerd kunnen vergelijkbare ontwikkelingsprocessen zich uiten in heel verschillend gedrag. Een kind dat voortdurend beweegt, kan moeite hebben met zelfregulatie, maar bewegen kan ook een manier zijn om gedachten te ordenen. Veel vragen stellen kan wijzen op onzekerheid, maar ook op een sterke intrinsieke behoefte de wereld te begrijpen. Emotionele intensiteit kan samenhangen met overbelasting, maar ook met een uitzonderlijk empathisch vermogen.