Uit de literatuur over stiefgezinnen is bekend dat de helft binnen een paar jaar alweer uit elkaar valt. Veel stiefgezinnen kunnen dus best wat ondersteuning gebruiken. Meestal zal het de ouder zijn die zich meldt met een opvoedvraag.
Die help je dan bij voorkeur vanuit een ouderbegeleidende positie. Maar als het de stiefouder is die zich meldt, hoe help je die dan?
Niemand in Nederland heeft zo langdurig en zo grondig nagedacht over het ondersteunen van ouders als Alice van der Pas (1934-2017). Zij maakte van ouderbegeleiding haar levenswerk. Ze schreef tien boeken waarin ‘de ouderbegeleidende positie’ centraal staat. Deze positie is in haar ogen nadrukkelijk geschikt voor alle ouders. En daar vallen niet alleen biologische ouders onder: ‘Ouders zijn (…) al die grote mensen die (…) zich onvoorwaardelijk en blijvend verantwoordelijk weten voor een kind, ongeacht of er sprake is van bloedverwantschap’ (Van der Pas, 2006, p. 98).
Ik ben een groot bewonderaar van het werk van Van der Pas, maar op dit punt denk ik toch echt dat het anders zit. Biologische ouders en stiefouders kun je niet over één kam scheren. Ik zal beginnen met het uiteenzetten van een aantal van haar kerngedachten, om op basis daarvan duidelijk te maken waarom stiefouders om een andere benadering vragen. Ik sluit af met enkele voorbeelden van wat die andere benadering zou kunnen opleveren.
De ouderbegeleidende positie
Wie te maken krijgt met ouders omdat er iets aan de hand is met hun kind, komt snel in een precaire situatie terecht. Jij werkt voor het kind. Als je je opwerpt als beschermer van het kind, sta je voor je het weet tegenover de ouder. Hoe pak je dit aan? Hoe ga je het gesprek aan met een ouder zonder te beschuldigen, zonder de betere ouder te willen zijn, zonder als expert boven de ouder te gaan staan? Belangrijk is, zo stelt Van der Pas, dat je naast de ouder gaat staan. Haar zienswijze: zie de ouder als expert van het eigen kind. Ga samen met de ouder bekijken hoe de omstandigheden het ouderschap bemoeilijken en ga samen op zoek naar wat deze omstandigheden zou kunnen verlichten.
Van der Pas formuleerde drie uitgangspunten voor ouderbegeleiders om te kunnen bepalen of ze zich stevig positioneren . Benader elke ouder als iemand met een tijdloos en onvoorwaardelijk besef van verantwoordelijk-zijn. Als je een ouder wilt laten nadenken over de situatie, ga er dan van uit dat die zich verantwoordelijk weet, wat ook de omstandigheden zijn en wat ook de eigen mogelijkheden zijn. Ouderschap maakt kwetsbaar. Wees je bewust dat het besef verantwoordelijk te zijn voor een op zichzelf staand en met een eigen wil begiftigd wezen, ouderschap tot een kwetsbaar iets maakt. Want wat er ook mis is of misgaat, de ouder voelt het makkelijk als iets dat hem of haar aan te rekenen is. Ouders geven zichzelf al genoeg de schuld; zorg dat jij dat als ouderbegeleider niet doet. Benader een ouder als de eindverantwoordelijke consultvrager. Het is het kind van deze ouder; hij of zij zal de analyse die in samenspraak met jou ontstaat moeten delen, de consequenties die daaruit voortvloeien moeten omarmen en ernaar moeten handelen.